Liefhebben wat je haat

Gebouwen die bijna niemand mooi vindt zijn er genoeg. Maar hoe komen ze er? En kan er nog wat aan ge­daan worden? Architect Marjolein van Eig zoekt het uit en stelt verbete­ringen voor. Deze week  het provinciehuis van Den Bosch

En dan is het nu tijd voor een betonnen gebouw. In de vele suggesties die ik krijg voor lelijke gebouwen zit een hoop beton. Onpersoonlijke, grote gebouwen van beton. Kaal en ongezellig. Hoe hebben ‘ze’ het kunnen verzinnen. Zo megalomaan, zo zonder oog voor de menselijke schaal, voor het individu. Zo niet passend bij de historisch gegroeide stad, zo’n vreemde eend in de bijt. Ik begrijp dat goed. Ik begrijp dat men ze niet mooi vindt, en ik begrijp hoe ‘ze’ het hebben kunnen verzinnen.

den bosch
Het provinciehuis van Den Bosch                                                            Via Streetview

De Grote Le
Het begint allemaal bij Le Corbusier. Wie? Le Corbusier . ‘De Grote Le’ noemde een oud collega hem spottend. Maar kom niet aan de grote Le. Nietsvermoedend begint de eerstejaarsstudent zijn studie aan de TU in Delft en binnen een jaar kennen we hem allemaal en begrijpen we hem, de grote Le. Eigenlijk heette hij gewoon Charles-Édouard Jeanneret. Kennelijk vond hij le Corbusier beter bij hem passen. Tja, dat kan je zo hebben. Hij is voor architecten niet te vermijden, like it or not. Daarmee heeft hij een enorme invloed gehad op de gebouwde omgeving. Voor mijn buurvrouw echter, in diezelfde gebouwde omgeving,  is hij een totale onbekende.

Begin vorige eeuw ontdekte men het gewapend beton. Dat is  iets anders dan bewapend beton, dat zal zoiets zijn als beton met geweren erin, of kanonnen met betonblokken. Nou ja, ik heb daar verder geen verstand van. Men ontdekte dat, wanneer stalen staven met beton werden gecombineerd, er een enorm krachtig materiaal ontstond. Staal kan goed tegen trekken, beton goed tegen drukken. Ideaal constructiemateriaal, fantastisch bijvoorbeeld om bruggen mee te bouwen. Maar ook goed om sculpturen van te maken en grote gebouwen. Le Corbusier was direct fan, hij wist er wel raad mee en deed beiden. Hij maakte hele grote gebouwen, met betonnen muren, betonnen kolommen en betonnen hekjes. Op het dak van deze gebouwen maakte hij prachtige sculpturen van de schoorstenen en pergola’s van, ja inderdaad, beton.

Licht en ruimte voor de arbeider
Dit is ook in Nederland niet onopgemerkt gebleven.  Het beton maakte het zomaar mogelijk om de strakke lijnen en vormen uit de moderne kunst over te nemen in de architectuur. Weg met het gefriemel, het ornament, het nostalgische gekneuter van de 19e eeuw. Men was helemaal klaar met het neoclassicistische gedoe van, bijvoorbeeld, het rijksmuseum. De 20e eeuw was er voor de vernieuwing, in alles. Klaar voor moderne gebouwen, met strakke lijnen, abstracties van wat was. Licht, lucht en ruimte kwamen ervoor terug. En niet onbelangrijk, die kwamen er voor iedereen. Het was een democratisch soort architectuur, die hand in hand ging met de maatschappelijke groei van de arbeider. De arbeider kreeg ruimte en licht, mogelijk gemaakt door de nieuwe materialen. Ramen hoefden niet meer de breedte te hebben van een bakstenen boogje, maar konden oneindig ver reiken, met veel uitzicht.

De architect van het provinciehuis in Den Bosch, Hugh Maaskant, is duidelijk beïnvloed door de grote Le. Het grote betonnen hoofdgebouw, in combinatie met de lyrische vormen van de onderbouw, komt direct uit de koker van Le Corbusier. Maaskant was op zijn beurt weer een van de grote Nederlandse architecten van de vorige eeuw. Met dit provinciehuis, een van zijn laatste werken, wilde hij een monument neerzetten. Een monument, let wel, in de traditie van de Egyptische pyramides (en niet in de traditie van, bijvoorbeeld, een Arc de triomph, deze beschouwde hij als secundaire architectuur). Een monument dus, dat niet een paar decennia zou bestaan, maar millennia.

Van eendje naar zwaan
De kans dat mensen het een lelijk gebouw zouden vinden achtte hij zeer groot. Hij verwachtte niet anders, immers, zo redeneerde hij, mensen vinden dat mooi, waar ze mee opgegroeid zijn. Ze refereren aan herkenbare beelden, zijn nostalgisch. Het zal jaren en wellicht eeuwen duren eer deze architectuur gewaardeerd wordt. Tegen die tijd is het gemeengoed geworden, herkenbaar.

Dit keer in deze rubriek geen Photoshop-bewerking. Het kan even duren maar dit lelijke eendje zal uiteindelijk voor iedereen, ook voor niet-architecten, vanzelf een zwaan worden. En misschien gebeurt het niet, maar dat geeft volgens Maaskant ook niet; je hebt lief wat je haat. Het is een kwestie van perspectief.