‘Godiswithme, kan je even het zout doorgeven?’

Vroeger, ja, vroeger, geachte lezer, was alles anders. Toen een van mijn tantes in 1963 een zoon op de wereld zette en haar echtgenoot het kind ging aangeven op het gemeentehuis, klonk vanachter het loket een luid en duidelijk ‘nee’ toen hij de naam ‘Gino’ uitsprak. Zijn ouders mochten weliswaar de roepnaam Gino gebruiken, maar in het rijksregister moest ‘Guido’ worden genoteerd.

Terwijl je in Nederland al sinds 1970 je kind (bijna) gelijk welke voornaam mag geven, zou het in Vlaanderen nog tot de wet van 15 juni 1987 duren vooraleer het kiezen van een voornaam bij de geboorte van een baby vrij werd – want vroeger, ja, vroeger, geachte lezer, was alles anders, en hinkte Vlaanderen vaak nog straatlengtes achter Nederland aan. De vrije naamgeving werd wel aan voorwaarden gekoppeld: de naam moet effectief bestaan, mag niet schaden en geen aanleiding tot verwarring geven. Daaraan lapten ouderparen de regels in de loop der jaren echter steeds gezwinder hun laars, en dat blijkt eens te meer uit het overzicht van de 200 meest bizarre Vlaamse kindernamen, dat gisteren verscheen op de Nederlandse site Vernoeming.nl.

Ik probeer me het loket van een gemiddeld Vlaams gemeentehuis voor te stellen op het moment dat de vader van een van die 200 bizar genaamde kindertjes zijn zoon- of dochterlief komt aangeven. Of Vlaanderen, geachte lezer, ook aan het loket nog achterstand moet inhalen – ik kan het niet zeggen, maar u moet weten dat over loketbedienden in gemeentehuizen ten Vlaamse lande het cliché leeft dat ze niet bepaald uitblinken in grote werkijver, of dat ze, zoals we dat in mijn spreektaal zeggen, niet ‘van een haas gepoept zijn’, wat in ambtenarees betekent dat ze niet geneigd zijn enige urgentie aan de dag te leggen bij het te woord staan der burgers.

Hoe klaarwakker evenwel moet de doorsnee Vlaamse gemeenteambtenaar in onderstaande situatie niet zijn geschoten:

“Mevrouw, ik kom mijn dochter aangeven.”
“Ah, proficiat, mijnheer. En wat is haar naam?”
“Godiswithme.”
“Excuseer, mijnheer? U zei?”
“Awel, ik zeg het toch. Haar naam is Godiswithme.”
“Mijnheer, hebt u te veel pintjes gedronken? Pas op, ik begrijp dat, hoor, een geboorte is een heuglijke gebeurtenis.”
“Maar verdomme toch, luistert gij niet? Haar naam is ‘God staat me bij’, maar dan in het Engels, of spreekt gij dat niet, misschien, met al uw diploma’s?”

Wie de lijst met bizarre voornamen doorneemt, kan alleen maar medelijden hebben met de kinderen die ermee door het leven moeten. Indien u, beste ouder, uw zoon of dochter Pippa Bluebell, Myemmy Blue of Anaa’Ol wil noemen, neem dan gewoon een chihuahua, python of vogelspin in huis. Ik ben een groot voorstander van individuele vrijheid, maar misschien moeten onze gemeentehuizen zich gaan beraden over de vraag of het werkelijk verantwoord is om namen als Lifted Osarugue, Tamme Jonathan of Flotty Paradis te aanvaarden. De ergste naam in de lijst vind ik Loezer, bedacht door een stel immorele ouders dat het vast grappig vond het woord ‘loser’ fonetisch op zijn Nederlands te spellen. Ik zie het nu al voor me: een stakker van drie jaar die op de speelplaats per ongeluk van een glijbaan valt, en door de juf ter hulp wordt geschoten met de uitroep ‘Loezer! Pas op!’ Als uw zoon, jullie regelrechte, tragische, belabberde losers van ouders, binnenkort wordt gepest, moet u vooral lang en hard in de spiegel kijken.

“Noem mij, bevestig mijn bestaan,
/ Noem mij, noem mij, spreek mij aan,
/ o, noem mij bij mijn diepste naam. / Voor wie ik liefheb, wil ik heten,” dichtte Neeltje Maria Min. De ouders van 90 procent van de 200 bizarre voornamen uit de lijst hadden duidelijk niet hun kind lief toen ze het benoemden, maar zichzelf en de aandacht die ze met hun keuze zouden oogsten.