Het mannencomplot (vrouwen kunnen best zelf een wastafel ontstoppen)

Zaterdagochtend had ik een waterpomptang nodig. Ik toog naar de buurtijzerwinkel en vond dat een mooi woord om de dag mee te beginnen. Op de plek waar de zaak al jaren zat, beloofde een schijnbaar uit de lucht gevallen beddenfabrikant mij ineens vier matrassen voor de prijs van twee. Wat den fok moet ik met vier matrassen?

Het verbleekte droogboeket in de etalage leek een kaartje uit te spugen. ‘Gefeliciteerd met de opening’ was nog net te lezen. Tussen de matrassen door schoof een zonnebankbruin vrouwtje met een stofzuiger als een soort van Bolke de Beer door het matrassenbos. Ik zag voor me hoe Bolke in de jaren zeventig schokkerig op zo’n plankje door het vale KRO-decor gleed. Ik haatte Bolke. Als ik hem was tegengekomen op weg naar de kleuterschool, had ik zijn hypocriete kaneelkleurige berenekje met liefde omgedraaid. Het zaagsel uitgestrooid in een rozenbottelperk. Afijn, ik verzin het allemaal maar, hoor. De buurtijzerwinkel bestond nog gewoon, maar was om onduidelijke redenen dicht.

Rioolgoden en plopdingessen
Ik vervolgde mijn weg naar de bouwmarkt. Mijn wastafel is namelijk al een jaar verstopt. Hier leven mijn dochter en ik vakkundig omheen. Wij poetsen onze tanden onder de douche en spenderen minstens twee uur per maand aan het ontstoppen van de wastafel met een rubberen plopding. Alleen al vanwege het geluid is dit een geweldig klusje. Het duurt even voor je de slag te pakken hebt, het rubber moet zich vacuüm zuigen rondom de afvoer, maar daarna gaat alles vanzelf. Het is zaak het ploptempo langzaam op te voeren tot de inhoud van de verstopte buis onder de wasbak gaat leven, meebeweegt met de zuigende kracht die onder je handen is ontstaan. Even ben je heer en meester van alle afvoerpijpen ter wereld. Geen prop is voor jou veilig, geen buis heeft meer geheimen.

Dan gaat het meestal mis. Gisteren weer. Terwijl mijn haren alle kanten op zwaaiden en ik in opperste vervoering de rioolgoden aanriep, floepte de rubberen ring van het putje en schoot ik met plopper en al naar achteren. Het was tijd voor het professionele werk.

Vrouw alleen
In de bouwmarkt liep ik onzeker rond. Iedereen zou kunnen zien dat ik een vrouw alleen was. Logisch, leken alle vrouwen te denken, met dat eigenwijze hoofd. Daar houden mannen niet van. Ik ben heus niet alleen, wilde ik roepen, ik heb meneer K en die houdt heel veel van mij, hij woont alleen ver weg! En eerlijk gezegd kan ik wel spannender dingen bedenken om te doen, die 1,6 dag in de week dat ik hem zie, maar dat zei ik allemaal maar niet.

Mannencomplot
Eenmaal thuis draafde ik gewapend met een waterpomptang en emmer naar boven en heb de wastafel ontstopt. Zwanenhals vakkundig opengedraaid, er drie pruiken uit getrokken en het hele zooitje weer stevig in elkaar gezet. Al met al was het een kwartiertje werk. En daar doen mannen dan altijd zo stoer over. Ik belde mijn moeder en die zei dat het één groot mannencomplot was. Dat we al die klusjes best zelf kunnen doen. En dat is waar.

Dichter Johanna Geels beschrijft de absurdistische en poëtische kant van de dagelijkse dingen.