Jaloers op de gitaar, het ultiem sociale instrument

Gulzig slokt de zee de laatste resten zonlicht op. Verliefde stelletjes knuffelen in het warme water, kampvuurtjes worden opgepookt, krekels overstemmen het geluid van golven die beschaafd het strand op krullen. Met enkele Nederlanders zit ik in het zand. Eén van hen heeft een in dit soort situaties onvermijdelijke gitaar in zijn hand. Na enkele minuten sluiten nog twee Nederlandse jongeren aan. De crisis in het thuisland doet velen, voor enkele weken of maanden, vluchten naar opkomende economieën als Brazilië.

Eén van de nieuwelingen blijkt ook hobbygitarist te zijn. De twee gitaristen vinden elkaar snel. Om de paar nummers wisselt de enige gitaar op het strand van bespeler. De anderen zijn voornamelijk stil en luisteren aandachtig, alsof de rechter zometeen hun strafmaat zal uitspreken. De gitaristen beperken hun gesprek voornamelijk tot zinnen over akkoorden, d-mineur en het gemis van een hoge e-snaar. Woorden waarvan ik weet dat ze tot de Nederlandse taal behoren, maar die net zo onbegrijpelijk zijn als de taal van Het Nationaal Dictee. Verbale hiërogliefen waarachter een wereld schuilgaat van razendsnelle vingers en mooie muziek. Een fles cachacha gaat als nabije spijt in het rond. De fles wordt leger, het ondersteunende gezang voller en valser. Urenlang wordt er gespeeld. Van Red Hot Chili Peppers en Maroon5 tot Guus Meeuwis naar Nederlandse kinderliedjes. Onder de Braziliaanse sterrenhemel komen het thuisland en wereldmuziek samen.

Daags erna zitten we in een oud-koloniaal dorpje op het terras, de stoelpoten ongemakkelijk tussen de keikopjes geprikt. Voorbijgangers kijken goedkeurend naar de reizigers die op het terras hun gitaren erbij hebben gepakt. Een jongen met hemelblauwe ogen en een zwarte gitaartas vertraagt zijn pas op enkele meters van het tafeltje. Zijn collegagitaristen wenken. Een stoel wordt aangeschoven, een gitaar uitgepakt. De overlappende kennis van het Engels en Spaans is net afdoende om uit te vinden dat de nieuwe tafelgast een lokale straatmuzikant is. Waar woorden tekort schieten neemt de muziek het over. De gitaristen praten met hun ogen en vingers. De één speelt, de ander kijkt en imiteert of haakt in. D-mineuren en akkoorden hebben geen gemeenschappelijke taal nodig. Ze zijn het.

Muziek maken is een jaloersmakend talent. Schrijven is een asociale bezigheid. Je doet het in je eentje op zolder, aan de keukentafel of heel misschien in het café. De gitaar is de koning van de sociale instrumenten. Je pakt hem er makkelijker bij dan de piano en omstanders kunnen meezingen of –neuriën op herkenbare melodieën. Overal en altijd kunnen mensen meegenieten en meedoen met je talent. Schrijvers kun je complimenteren met hun werk, je kunt discussiëren over literatuur en je kunt zelfs naar lezingen gaan, maar echt gezellig worden bezigheden omtrent schrijven niet. Samen teksten opdreunen van bekende schrijvers is nagenoeg onmogelijk, zelfs al heb je dezelfde moedertaal. Om nog maar te zwijgen van het sfeerdodende karakter die deze bezigheid heeft.

Elkaar spontaan aanvullen kunnen schrijvers ook al niet. Een schrijver in actie ziet er niet wezenlijk anders uit dan iemand die op z’n Appletje z’n jaarlijkse belastingaangifte doet. Het hoogst haalbare in zichtbaarheid is een dichterlijke blik over de zee en denken over woorden die de warme klanken en drankgloed nooit zullen vangen.