Frans Weekers, eenzame wolf in schaapskleren

“Ja voorzitter de… ehh… ik, ik, ik,  ik, moet ehh… Ik, ik heb, ik heb dat, heb dat even op dit uur, dagdagelijks, heb ik ehhh… dat ehh… niet paraat.”

De Tweede Kamer was gisteren het toneel van een ongekend wreed gevecht tussen een roedel hongerige wolven en een mak schaap. Een bang schaap. Het gestamel is eigenlijk niets anders dan het gillen van een weerloos dier dat geen uitweg meer ziet. De paniek in de ogen, het zweet dat langs het lichaam gutst. De vermoeidheid. Die vreselijke vermoeidheid.

De wolven zijn genadoloos en de strijd duurt te lang. Het schaap blijft zich verzetten, er moet een uitweg zijn. Toch? Maar er is geen uitweg.

Als de avond valt, komen de eerste tekenen van medelijden uit de arena. Journalisten en Kamerleden kunnen de oneerlijke strijd niet langer aanzien. Ze vinden het zielig. Zielig zijn is het ergste wat je kan overkomen in Den Haag. Erger dan verdrietig zijn. Erger dan meedogenloos of hardvochtig zijn. Erger dan onsympathiek of ronduit een eikel zijn. Zielig ben je namelijk nooit lang, daar zorgen de wolven wel voor.

De klauwen van de Kamer
Elke schorsing is een verlichting. Een kortstondig ontsnappen uit de klauwen van de Kamer. De scherpe nagels van Jesse Klaver en Pieter Omtzigt die keer op keer gemeen uithalen. Maar elke schorsing maakt ook de lijdensweg langer. Met elke pauze, elke minuut die nodeloos voorbij gaat, wordt de kans op overleven kleiner.

Opnieuw een schorsing. En dan dat moment, dat zalige en verschrikkelijke moment. Weekers trekt zich even terug, gaat zitten en wacht. Geduldig, maar niet lang. In de ministerskamer wordt het stil als de telefoon overgaat. Mark Rutte, de genadige beul. De hamer die naar achteren getrokken wordt. De knal. En dan eventjes helemaal niets.

Het restant van een halfuur pauze wordt gevuld door een nieuw gevecht tussen tranen en verlichting. Dat bizarre evenwicht, dat altijd optreedt als een lange strijd verloren is. Na een paar minuten verdriet maken de tranen plaats voor opluchting, waarna de cyclus opnieuw begint.

Als het lichaam van het schaap aan de wolven wordt getoond, is alle bloedlust verdwenen. Ze herkennen in het bloedende dier een wolf die te ver van de kudde is gedwaald. Met wie ze zelf zo vaak gejaagd hebben op ander zwak vlees. Een broeder van nog maar zo kort geleden.

“Respect voor de beslissing.”

“Begrip.”

“Moedig.”

Het berouwvolle gehuil na de slachting van een soortgenoot. Maar wolven jagen nu eenmaal samen.