Ik ben een Heel Erg Goede voetballer

In afwachting van de zaalvoetbalkraker tussen Real Koningen (vijfde in de tweede klasse van de universiteitscompetitie van de VU) en Team Minicards (koploper in diezelfde klasse) zat ik in het aan het sportcentrum grenzende café couscous te eten. Op een enorm plasmascherm boven mijn hoofd werden beelden van een golftoernooi vertoond.

Een Schot van middelbare leeftijd stond tot z’n knieën in helmgras. Een zeebries rukte aan de klep van zijn golfcap. Hij heette Gallagher, de Schot.
Natuurlijk.
Ik keek naar het golfpubliek dat in stille bewondering toekeek hoe Gallagher zijn chip voorbereidde. De mensen stonden achter een wit lint, het soort lint dat er niet toe dient mensen tegen te houden door te lopen, maar ze te ontmoedigen dat te doen.
Wat, dacht ik, zou er gebeuren als een van die keurige golffans nu over het lint zou stappen en Gallagher een hengst verkocht met z’n eigen iron 7? Het was een zinloze gedachte. Golffans zijn als golfers: ze bezitten een haast onmenselijke zelfcontrole die in het dagelijks leven voor lethargie doorgaat.
Golfliefhebbers zitten in hun vrije tijd graag bij biljartwedstrijden. Althans, dat vermoed ik.
Golfliefhebbers kunnen uit hun dak gaan zonder een slapend vogeltje te wekken.

Ik at mijn couscous en dacht aan de wedstrijd van vanavond. Laatste pot van de eerste seizoenshelft, die tot nog toe twee overwinningen en vijf nederlagen besloeg. Een liefhebber van eufemismen zou onze prestaties wisselvallig noemen, en wijzelf vinden ze ook zo slecht nog niet. Wat gebeurt er toch in een hoofd van iemand die op een voetbalveld staat – zelfs als dat veld van gelakt hout is? Ook in de geest van de grootste realist en de meest beroerde voetballer kan tijdens een leuke wedstrijd plots de gedachte varen, de gedachte die hij zo zelden tegenkomt omdat hij schuilgaat achter dikke muren en een deur met een hangslot – net als de geheime tuin uit het boek van Burnett.
Het is de gedachte dat hij toch eigenlijk Heel Erg Goed is.

Weinig gebaat
De grootste zegen van voetballen op ons niveau is dat niemand ooit zichzelf hoeft te zien klunzen. Zo houden wij allemaal onze eigen particuliere wensdroom levend, een vaag visioen in Instagram-strijklicht waarin wij stijlvolle, technische en ontroerend onbegrepen voetballers zijn, diamanten in een bakje waardeloos grind.
Ik at mijn couscous op en visualiseerde alle doelpunten die ik zou maken.
Na de wedstrijd dronken we bier en stelden vast dat Danny Hoesen niet kon voetballen. In elk geval niet beter dan wij. En het niveau op het EK Zaalvoetval in Antwerpen hield ook al niet over.

In de trein naar huis keek ik naar buiten en dacht aan het doelpunt van mijn voet, het doelpunt dat met ieder station een beetje briljanter werd. En dat moment dat ik de bal over een tegenstander had gelepeld en bijna gescoord had. En die steekbal waarmee ik iemand bijna vrij voor de keeper zette.
Die veel te hard aangespeelde bal die ik uit de lucht viste en die een enkele seconde voor dood op mijn wreef lag… Die lange pass, precies hard genoeg… Dat tikje door de dunne, witte benen van een zwalkende tegenstander…
Wat was ik goed geweest. Aan mij had het weer eens niet gelegen. Danny Hoesen mocht willen dat hij de bal zo kon liefkozen als ik bij momenten deed.
Erg jammer dat ik mezelf niet had zien schitteren.
Veel gebaat had mijn brille trouwens niet.
Al moet ik zeggen dat de uitslag (15-3) wel wat aan de geflatteerde kant was.