De bijzondere middag van Patrick ter Mate

Er staat een jongen voor de camera. Die jongen, dat ben jij.

Achter je het zielloze bordkarton met daarop de sponsors van de Eredivisie NV, bedrijven die geld overmaken in de hoop dat het oog van de mensen die interviews met voetballers kijken op een bedrijfsnaam valt en dan denken: “Scholten Awater… Ik weet niet wat het is, maar zodra er in mijn leven een bedrijf met die naam op mijn pad komt, geef ik er geld aan, zodat zij weer genoeg geld hebben om reclameruimte achter voetballershoofden te kopen.”

Juichers en toegejuichten
De adrenaline sproeit uit je oren. Gisteren ben je nog naar de kapper geweest, want als je de verwezenlijking van je belangrijkste levensdoel zo dicht genaderd bent dat je het met een zweefduik klemvast kunt nemen, doe je dat met een vers opgeschoren coupe.
507 likes had je in een paar uur verzameld. Een record.
507 mensen die het leuk vonden dat jij, Patrick ter Mate uit Wilp, je debuut zou maken in de Eredivisie als de doelman van Go Ahead Eagles, de club van jouw geel en rood geverfde hart.
Maar niemand likete het zo ontzettend als jijzelf.
Om eerlijk te zijn kon je je niets mooiers voorstellen dan het doel van de Eagles verdedigen. Je genoot al zo van die zondagen op de B-side, tussen al die andere jongens uit Deventer en de dorpen eromheen, jongens met dezelfde Marokkaanse straataccenten die de lingua franca van de straat vormen.
Jongens zoals jij. Eaglesfans. In alle organen.

In sommige voetbalstadions kunnen de fans de spelers bijna aanraken, in andere vormt een goot, een hek of een sintelbaan de grens tussen de juichers en de toegejuichten.
Heel af en toe steekt iemand die grens over, het zijn hoge uitzonderingen, maar ze komen voor: supporters die op een voetbalveld verzeild raken. Je kijkt achterom en verdomd: daar staan je vrienden, hun petjes scheef, hun monden wijd opengesperd en hun glazen bier triomfantelijk in de hoogte gestoken als honderden olympische vlammen.
Zij zijn nog altijd de juichers, jij bent een toegejuichte geworden.

Bijzondere middag?
De droom duurt negentig minuten. In de catacomben word je voor een camera gesleept.
“De NOS,” roept iemand.
Iemand steekt een hand uit. Je schudt ’m.
Ze gaan je vragen stellen, vragen voor Studio Sport. Je knikt.
“Kunnen we?” vraagt iemand – aan wie weet je niet.
Er springt een rood lampje aan.
Daar komt de vraag. Je eerste televisie-interview.
“Bijzondere middag voor jou?”
Ze hebben je geleerd om altijd als lid van de groep te spreken. Je bent onderdeel van het team, zeggen ze, maak dat duidelijk in interviews. En dus vertel je over ‘je cluppie’, ‘een puntje mee naar Deventer’ en dat soort dingen.
“Op een gegeven moment is het gewoon: knop omzetten en ervoor gaan. En zo is het.”
Zo is het ook.
En dan hoor je jezelf opeens een zin zeggen die je nog nooit eerder gezegd hebt. Het is jouw stem, de woorden rollen als zuivere vanzelfsprekendheden uit je mond, maar je herkent ze nauwelijks: “Als je bij de pakken neer gaat zitten, dan weet je dat je de bietenbrug op gaat.”
Het interview komt op gang, en jij ook. De interviewer zegt dat je een positieve hooligan bent. Je zegt: “Ik ben een van hun. Hun zijn mijn jongens.”

2-2-2014
Tot slot vraagt de verslaggever of-ie je tattoo mag zien.
Het mag.
De adelaar op je linkerarm. Je denkt aan je vrienden, die met bami op schoot naar jouw linkerarm zitten te kijken.
Je vergeet je triceps te spannen. Foutje.
“Nog een keer close,” zegt de verslaggever.
De adelaar, met daaronder: 26-5-2013. De datum van de promotie staat met inkt in je huid gegrift. Misschien komt er ooit nog een adelaar met 2-2-2014; op je rechterarm is nog een plekje vrij.