De twaalf duizendsten van Jan Smeekens

“34.72 moet het worden! Hij heeft de Japanner te pakken! Staan blijven! De laatste honderd meter! Oeeeehh, terug naar je baan! 34.72! 34.72! 34.72 en er is Olympisch goud voor Jan Smeekens! En het wordt…. 34.72 is het geworden! We gaan naar de duizendsten kijken!’

 

Niet veel later
Vlak voor hij het podium betreedt kijkt Jan Smeekens naar een uithoek van de Adler Arena in Sochi. Wat ziet hij?
Daar ergens boven in het stadion zit Erben Wennemars te snotteren als een jongejuffer bij een romantische film. Da’s vanwegeallespanningenemotieendesnelheidenjevoeltdielaatstebocht. Maar niet om hem, niet om Jan Smeekens.

De tong gaat langs de lippen, alsof hij zo meteen een speech zal gaan houden waarin hij vertelt dat hij de correctie van zijn tijd, de correctie die hem de legende zal kosten, dat hij die correctie zal aanvechten tot hij erbij neervalt, al is het ’t laatste wat ie zal doen.
Maar dat doet Jan Smeekens niet. Hij staart naar zijn gympies en wacht ongeduldig tot zijn naam wordt genoemd. Rode veters.

De adrenaline van de race rijdt rondjes 24 blank door zijn lichaam, nog twaalf duizendsten van een seconde en hij springt over het erepodium, grist het boeketje droogbloemen voor de gouden medaillewinnaar van dat kussen in de handen van het als een goedkope toeristenbaboesjka opgedirkt meisje en sprint de hal uit, de wereld in.
De wereld die nu alleen nog maar ‘Mulder! Mulder!’ naar elkaar roept. Nu nog wel.
Hij hobbelt op z’n ene voet, dan weer op z’n andere. Ook nu is er niets mis met de afzet.
De lippen over elkaar, het gezicht is dat van de manager die op het punt staat aan een trouwe werknemer na veertig jaar trouwe dienst boventallig is geworden. Het lachje dat hij denkt te produceren, is een nauwelijks zichtbare vertrekking van de mond.

Daar gaat de tong weer, nu als een toverbal tegen de binnenkant van zijn wang.
Een vrouwenstem.
‘Jaaaaaaaaaaan Smekeeeeeeens.’
Een bescheiden sprongetje, een grijnslachje. Jan Smeekens bedankt het publiek en denkt: fuck. Fuckfuckfuck.
Twaalf duizendsten.
Een tik van een klok – gedeeld door honderd.

Een kale official duwt hem de bloemen in de hand. Wat moet je met bloemen? Bloemen houden van mensen, maar Jan Smeekens zou dit boeketje het liefst in twaalf duizendsten van een seconde in twaalfduizend snippertjes scheuren.
Hij herinnert zich bijtijds om Ronald Mulder – minder verliezer dan hij zelf, lijkt het – een hand te geven. Een lamlendige, ongemeende hand is het.
Hand door het haar, een lok wegvegen die daar toch al niet zat.

Een blik op de bloemen. Bloemen… Hij weegt ze in z’n hand, jongleert ze.
Dan weer een blik op de rode veters. De blik van de verslagene.
Hij is als Donald die bij de hamburgertent staat te wachten als Guus Geluk met Katrien voorbijrijdt in een gewonnen auto met chauffeur.
‘The Olympic champion…’

Niet veel eerder
Een jongen op het ijs. Hij heeft zojuist een gouden Olympische race geschaatst, hij voelt het gewoon. Een blik op het scorebord. 34.72.
34.72.
Hij had 34.72 nodig…
Dat betekent…
Dat zou betekenen…
Hij gilt, steekt zijn handen vol ongeloof in de lucht terwijl hij door z’n eigen droom glijdt.
Daar: Jac. Orie. Coach, zijn coach. Altijd beheerst, altijd correct, altijd kalm.
Jac Orie (coach) is door het dolle heen.
‘Een sweep!’ roept de commentator, ergens in de nok van het stadion. Maar dat hoort de jongen niet. Jan Smeekens is Olympisch kampioen en hij roept, hij roept tegen zichzelf: ‘Dit pakken ze nooit meer van je af.’