Vrouw koopt auto (tussen Sjonnies en smeerolie)

Mijn ouwe Twingootje kreunde al een jaar vervaarlijk in de bochten, maar ineens vlogen er op de snelweg spontaan onderdelen onder de auto vandaan. Ik kon er niet meer omheen. Mijn auto was dood.

Onder een flauw zondagmiddagzonnetje haal ik hem leeg. Een archeologische opgraving, daar lijkt het op. Sultana’s uit 2009, een fietssleuteltje dat ooit zoek was, waarna er een kinderfiets moest worden opengezaagd. Een papieren routekaart van vóór de TomTom met het handschrift van een ex erop. De Lowlands-sticker uit 2007 op de achterruit.

Zonder man
Voor het eerst in mijn leven koop ik alleen een auto. Zonder man. Dus doe ik mijn stoerste cowboylaarzen aan en rijd ik de laatste rit in mijn scheurbakkie, op naar de wereld van verbrand rubber. Daar wacht een nieuwe auto. Gevonden na een lange zoektocht langs occasionsites en garages die werelden openden van smeerolie en Sjonnies, stevige, morsige mannen die zich dankbaar over mij ontfermden. Ruwe bonken met weke hartjes die ik altijd mocht bellen als ik vragen had over transmissies of paardenkrachten. Allemaal waren ze vaderlijk met mij begaan en waarschuwden ze mij herhaaldelijk voor het rapaille in occasionland. Althans, voor zover ik ze kon verstaan. Meestal nam ik de bromklanken die lukraak door de telefoon werden gesmeten op goed geluk in ontvangst.

Joost
Behalve Joost. In keurig ABN presenteert hij mij aan de andere kant van het land mijn nieuwe grijskleurige auto. Stoer (sportmodelletje), zuinig (diesel), veilig en niet te groot. Hij staat mij op te wachten met een groen kentekenbord in zijn armen geklemd. Joost kondigt aan mee te rijden tijdens het proefritje, want zoiets is best spannend. Ik vind het helemaal niet spannend – als je mij in een tank zet, rij ik er nog zo mee weg – maar Joost denkt hier anders over. Mokkend geef ik toe.

Zeldzame diersoort
We rijden door het verlaten dorp. Alsof ik zestien ben en met papa een ritje mag maken. Ik krijg zin om Joost wat te stangen. Tussen twee verkeersdrempels door geef ik hard gas. De auto giert en schiet naar voren. Joost wordt bleek. Ik beuk op de rem; de auto staat met een klap stil. Joost grijpt zich vast aan de deur. “Ik moet toch weten of de remmen het doen,” zeg ik liefjes. Joost knikt, zijn gezicht heeft dezelfde kleur aangenomen als de auto. Na wat beheerst bochtenwerk door drempeldorp vraagt Joost wat ik doe. Ik zeg dat ik schrijf. Joost kijkt me lang aan, alsof ik een zeldzame diersoort ben. Hij buigt zich vertrouwelijk naar me toe en fluistert dat hij nog nooit een boek heeft gelezen. Hij overwoog laatst De Kameleon, maar was er niet aan begonnen. Hij is er geen man voor. Zijn moeder leest wel. Hij veert op. Misschien heeft zijn moeder mij wel eens gelezen! Zijn wangen kleuren. Eigenlijk heeft hij best mooie handen. “Vast,” antwoord ik. Herhaal het voor de zekerheid.

Koud staal
In de showroom, tussen de gepoetste auto’s, krijg ik koffie. Joost vraagt of ik het lekker vind. Ik lieg. Joost is meer van de groene thee, zegt hij. Net als zijn moeder. Hij kijkt wazig voor zich uit, alsof hij elk moment kan opstijgen, zo boven de blinkende motorkappen uit. “Weet je,” stamelt hij ergens vanuit een nooit ontdekte verte, “soms wou ik dat ik een kameleon was.” Zijn gezicht wordt metallic-groen en hij vlijt zich op een kofferbak, lacht gelukzalig en streelt het koude staal alvorens er mee te versmelten. Ik sta erbij en kijk ernaar. Joost is een auto geworden.

Dan tikt er iemand op mijn schouder. Jaja, mevrouwtje heeft een knap karretje bemachtigd, hoor, wat mij. En dat het een diesel is, hè, dus geen benzine tanken, want dan heb ik een probleem. Ik word naar het pinapparaat geduwd. Bij ‘geslaagd’ krijg ik de sleutel overhandigd. Nu mag ik wel alleen wegrijden.

Dichter Johanna Geels beschrijft de absurdistische en poëtische kant van de dagelijkse dingen.