De Renner

Utrecht, 20 februari 2014.
Fris, bewolkt weer. Het miezert.
Ik pak mijn spullen uit de kleedkamer en stap op de fiets.
Vanaf rode banken kijken andere sporters toe. Niet-fietsers.
De leegheid van die levens schokt me.

Overal staan en lopen mannen en vrouwen met torso’s als geweien. Sommige mensen fietsen al. Glimlachen, niet groeten.
Er zijn onbekenden bij. Er zijn altijd onbekenden bij.
(Om eerlijk te zijn: er zijn altijd uitsluitend onbekenden bij).
Goede fietsers hebben kenmerkende hoofden en slechte fietsers hebben kenmerkende hoofden – maar dat geldt alleen voor fietsers die je al kent.
Ik kop een handdoek bij de balie, schud op de terugweg m’n benen los.
Ben ik in vorm? Dat zal de wedstrijd moeten uitwijzen, zeg ik tegen mezelf.
Haha, ja, zeg ik terug.

Tien minuten later
Daar ga ik, eenzame fietser, kromgebogen over z’n stuur.
Het regent zacht, maar net te hard om het nog miezer te noemen.
Mijn armen hangen losjes over het stuur. Dun zijn ze, die armen, ik kijk er met plezier naar, volg de aders die kronkelen als rivieren op een verder lege landkaart. Bovenop die dunne armen, op de stukjes bleke huid die je door de donkere, alle kanten op staande haartjes heen kunt zien, vormen zich kleine, ronde druppeltjes.

Ik kijk naar het vocht op mijn armen en houd onderwijl mijn beentempo hoog.
Het voelt moeizamer dan het eruit ziet. Duwen. Stampen.
Ik ben geen stilist. Geeft niet: voor stijl worden geen prijzen uitgedeeld, behalve soms in de Nederlandse literatuur.
Af en toe kijk ik tussen m’n armen door naar de benen, naar m’n knieën.
Mijn knieën lijken altijd geschaafd, ook als ze niet geschaafd zijn. Ze draaien, draaien, draaien. Ik kijk ernaar tot ik misselijk word.
(Wat is de vorm van mijn knieën? Steeds als ze voorbij komen, probeer ik er een naam voor te bedenken. Die is er niet. De vorm van mijn knieën is knie).

Een halfuur later
De weg lijkt eindeloos.

Misschien is ie dat ook.

Vijf minuten later
De druppel die nu op mijn dij valt is een zweetdruppel. Lauw.
Pijn. En wat dan nog?
De regen die net geen miezer was, is weer overgegaan in miezer. De tonen van Avici dreunen door het vocht van de middaglucht.
Uit het zadel. De pijn die mijn bovenbenen in bezit neemt, kolkt onmiddellijk via mijn lendenen en armen naar mijn hoofd, waar hij mijn hersenen paneert, frituurt en als kleine kroketjes door mijn oren naar buiten duwt.
Ik ben alleen nog lichaam. Mijn benen draaien onafhankelijk van de rest van mijn lijf, in mijn hoofd is plots plaats voor een boel nieuwe pijn.
(Ze noemen het afzien, maar ze weten niet wat het is, dat het meer is. Er is geen woord voor – er moet weer een neologisme verzonnen worden. Bij voorkeur een van uitsluitend klinkers).

Nog tien seconden
We hijgen.
Ik, en ik, en ik. We hijgen alle drie.
Naast me hoor ik nog meer gehijg. Gekreun.
Kennelijk rijd ik daar ook; opzij kijken lukt me niet meer.
Vijf. Vier.
Drie.
Wat komt er na drie?
Vier.
Een.
(Mijn lichaam is een papje. Mensen! Mensen! Mijn lichaam is een papje! Eet het op voor het koud wordt.)
De langgerekte piep van een voltooide sessie.
Tweehonderdvijftig meter verder dan vorige week. Bijna 36 kilometer. Nou ja… Behoorlijk bijna.
Ik overweeg me af te vragen waarom ik dit doe.
Bij gebrek aan antwoord laat ik de overweging varen.
Op het glanzend sportschoollaminaat ligt een plasje zweet. Ertussen, als ballen in de soep, mijn hersenen, als snacks uit Berts Snackpaleis.
Batüwü Griekgriek, denk ik. En ik geef mezelf gelijk.

PS
Renner F.H. verbeterde op 20 februari 2014 zijn persoonlijke werelduurrecord op de hometrainer. Zijn favoriete boek is De renner.