Ilja Leonard Pfeijffer en een paarse broek

Ilja Leonard Pfeijffer, van wie ik soms met genoegen artikelen, essays en gedichten tot me neem, zou voorlezen in de stad. De kans hem eindelijk eens te ontmoeten. Het herenrijwiel bracht me van Noordwijk naar Leiden.

Te Leiden vond het ‘Verrassend Winkelweekend’ plaats. Met als thema ‘Literatuur’: “een bomvol gratis programma, waarin aandacht voor Kids & Literatuur, Muziek & Literatuur, Recht & Literatuur en Leiden & Literatuur. Tijdens het winkelen.”

Ilja ging voorlezen (incl. signeersessie) in State of the Art. Dat is geen kunstinstelling maar een confectiezaak, op de gracht en deze zaterdag tegenover kaas-, stroopwafel en zuidvruchtenkramen gelegen. Met het rijwiel aan de hand wurmde ik me langs de tientallen kaas-, stroopwafel- en zuidvruchtenbehoeftigen, totdat ik het winkelpand bereikte, alwaar ik twee schuchtere verkopers trof, Ilja Leonard Pfeijffer in vol ornaat en een fan, gezeten op een winkelbankje.

Mijn komst begroetten ze als een bevrijding, met de gezamenlijk uitgesproken verzuchting: “Nu laten we het doorgaan.” N=2, genoeg om van ‘het publiek’ te kunnen spreken.
Ilja leidde zichzelf in als emigrant te Genua, de stad die door de eeuwen heen vrijhaven was geweest voor immigranten uit alle windstreken, voor ‘kruisvaarders’ (voor jongeren: voorlopers van de PVV die hun grote mond tenminste vergezeld lieten gaan van daadkracht en naar Israël togen om islamieten in de pan te hakken) en later ook voor Italiaanse emigranten richting hun beloofde land.

Ik hoopte op Ilja’s poëzie, maar hij koos voor La Superba, zijn breed geprezen ode aan Genua. In romanvorm, maar het stukje dat hij koos en inleidde was, zei hij, ‘waar gebeurd’. De Senegalees over wie het handelde had de schrijver werkelijk gesproken over zijn noodlot. Zo klonk het ook door in een realistische woordkeuze.
Een bekend, maar fraai verhaal van de Afrikaan die thuis over Europa had gehoord als paradijs op aarde, waar je geld uit de muur trok met een gratis pasje, en die zijn geluk was komen beproeven te Genua. Met als koude douche de barre realiteit van het slapen tussen de ratten met elf landgenoten en geld moeten lenen om naar huis te sturen. Want status en sprookje moesten in stand blijven bij de vriendenkring thuis, die geïnvesteerd had in de dure overtocht van de uitverkorene naar het beloofde land.

Nu was het tijd voor het onderdeel (incl. signeersessie). Ik kwam voor poëzie. Behalve zijn beduimelde voorleesboeken had Ilja geen werk bij zich. Ik kon mij, zei hij, begeven naar boekhandel Van Stockum, die wellicht zijn verzamelde gedichten verkocht. “Dan heb je direct alles,” spoorde hij aan. Alles, gesigneerd en wel, leek me een aanlokkelijk vooruitzicht. Ik spoedde mij tussen de kaas-, stroopwafel- en zuidvruchtenkopers de hoge brug over naar de Breestraat.
Van Stockum, nimmer opgevreten door een Polare en nog altijd open, bood een kast ‘poëzie’ waar ik de ruggen herkende van mijn dierbare Szymborska, Herzberg en Rawie. (Laat in vredesnaam scholen de dag met een gedicht beginnen, als een sociaal medium met inhoud, zeg maar.) Ilja Leonard Pfeijffer staat er niet meer, wist de verkoper die me spontaan kwam helpen. Maar hij kon hem bestellen.

“Wat doe je hier nog, je bent uitverkocht,” grapte ik bij terugkomst tegen Ilja, die al met jas aan buiten stond te wachten met zijn handtekening. De minzame glimlach ging direct over in een ferme handdruk. Ik keek hem diep in de ogen en zag dat het goed was. Ilja deugt. Die bundel met zijn speelse gedichten komt nog.

In de winkel waar jas en tas waren achtergebleven, sprak de verkoopster haar spijt uit. Ze was begaan met mijn gemiste boot naar Genua. Nu viel viel mijn oog weer op de plank met een hoge stapel paarse broeken en ‘50%’, waarnaast Ilja zichzelf plaatste om zijn fan en mij voor te lezen.
“Hij staat je heel goed, paars kun je hebben bij die trui,” zei de verkoopster met een stralende glimlach van groeiende groene ogen. Een kortstondige heftige verliefdheid welde in me op.
Geen bundel, geen foto, een resultaatloze (incl. signeersessie), maar een plastic tasje met een paarse broek. In de jaren die me nog resten zal bij het openen van de klerenkast het beeld opdoemen van de imposante Ilja Leonard Pfeijffer met La Superba in de hand naast het 50% korting-bord in een confectiezaak te Leiden. En van het verloren leven van een droefgeestige Senegalees te Genua…