Niet poep maar schaamte is vandaag het grootste taboe

Toen ik acht was, mocht ik voor het eerst een nacht doorbrengen in het huis van mijn grootmoeder.

Tegen tien uur zweeg de televisie en brandde er alleen nog licht in de slaapkamer, waar ik zag hoe grootmoeder zich klaarmaakte voor de nacht. Onder haar jurk ging een kledingstuk schuil dat in Vlaanderen luisterde naar de exotische naam ‘gaine’, en in de uitspraak alleen in de beginletter verschilt met het Franse woord voor ‘schaamte’. Ik herinner me de gêne die in de kamer hing toen grootmoeder de drukknopen van haar gaine opende, en het leek een stilzwijgende afspraak dat ik mijn blik afwendde van dat vestimentaire geheim waarover ik haar vaak had horen klagen, en dat zich nu heel even voor mij had ontsluierd. Pas ’s ochtends, toen grootmoeder naar het toilet was en ik de gaine over de stoel naast het bed gedrapeerd zag, durfde ik er van dichtbij naar te kijken.

Niemand draagt vijfentwintig jaar later nog een gaine, maar ook de gêne zelf is een gevoel waar we met een vergrootglas moeten naar speuren. Deze week zag ik op televisie twee mensen praten over onderwerpen waarop volgens hen niet langer een taboe mag rusten, en waarvoor we ons dus niet meer mogen schamen. Zo had Midas Dekkers het over zijn nieuwe boek De kleine verlossing. Poep is taboe, aldus Dekkers, en dat zou niet zo mogen zijn. Als voornaamste reden daarvoor gaf hij dat ‘poepen heel leuk kan zijn’. “Je kan wel een half uur blijven zitten, met een krantje erbij. Het is een klein dagelijks genoegen waaraan mensen plezier zouden kunnen hebben als ze er zich niet schuldig over zouden voelen.”

Ook Ingeborg Beugel wilde een dag later een taboe doorbroken zien worden. Zij heeft een documentaire gemaakt over de vrouwelijke overgang, vooral omdat ze vindt dat mannen er zo weinig van snappen. Ze vindt het een probleem dat de overgang een taboeonderwerp is: “Het geeft een ongelooflijke tik met de hamer aan de seksualiteit,” zei ze, en omdat Nederlanders de dingen graag onomwonden benoemen, ging ze verder: “Je krijgt een droge poes, en dat is een ongelooflijk probleem. Mannen moeten weten dat ze een glijmiddel kunnen kopen.”

Het taboe op seksualiteit is sinds de jaren zestig weggevallen: binnen zekere grenzen kan men vrijuit praten over seks, en porno is in elke huiskamer beschikbaar. Andere taboes die wel nog bestaan – en daarvan is poep beslist een koploper – moeten nu blijkbaar ook beslecht worden. Ik vraag me alleen af waarom: vinden we onszelf als samenleving vooruitstrevender en geëvolueerder als we alles bespreekbaar maken en ‘in de groep gooien’? Was mijn grootmoeder onderontwikkeld omdat ze gêne voelde over haar gaine, en was haar generatie minder beschaafd omdat ze hoogstens in de privésfeer en onder vrouwen over de problemen van de overgang praatte?

Ik vind gêne juist wél een teken van beschaving. De Frans-joodse filosoof Emmanuel Levinas wees erop dat schaamte niet noodzakelijk een negatief gevoel is: schaamte maakt je gevoelig voor de ruimte tussen jezelf en de ander. Dat is een grens die je niet overschrijdt en die Levinas vergelijkt met de ‘zoom van rozen’. Die zoom verwijst naar eerbied, tederheid en rechtvaardigheid. Schaamte geeft je dan de kans om menselijk te zijn.

Vandaag echter rust er in onze prestatiemaatschappij op schaamte een taboe, en wordt de zoom van rozen voortdurend vertrappeld door reportages over zwaarlijvige mensen die in bootcamp-stijl op dieet moeten, talentenjachten waar deelnemers door grofgebekte juryleden voor schut worden gezet, en getuigenissen over droge poezen die een glijmiddel nodig hebben. Schaamteloosheid is stoer; taboes zijn voor mietjes.

Geef mij dan maar de gaine en gêne van mijn grootmoeder, en de subtiliteit en het stilzwijgende respect voor mekaars intimiteit dat daaruit sprak; geef mij maar het recht op zwijgen; het recht op rood aangelopen wangen en het recht op wegkijken. Sigmund Freud heeft wat mij betreft ook onzin verkondigd, maar hierin ben ik het met hem eens: “Het verlies van de schaamte is het eerste teken van geesteszwakte.”