Theo Janssen is gestopt. Een herinnering

Ik zag Theo Janssen ooit op het trainingsveld van Ajax een afwerkoefening doen met de Belgische verdediger Toby Alderweireld.

Het leek nergens op – en dat lag niet aan Janssen.
Wanneer Alderweireld degene was die de trekker moest overhalen, trapte hij langs of over de bal, en wanneer Janssen aan de beurt was, zweefde de voorzet meestal een meter of wat over z’n hoofd.
Hij kon er om lachen, Theo.

De beste patat
Een leven lang voetbalde hij met spelers die begiftigd waren met minder talent dan hij, spelers die hem moesten zien af te troeven op conditie, werklust en meer van die minderwaardige kenmerken waar het in het voetballen eigenlijk niet om gaat.
Ik volgde Theo destijds voor een profiel in HP/De Tijd, in de tijd dat HP/De Tijd nog een weekblad was.
In een interview had Theo Janssen geen zin.
Theo speelde net bij Ajax en erg goed ging het nog niet. Het stond hem niet, Ajax – het shirt was te wit en zijn hoofd was te gegroefd. Theo Janssen was de beste patat met de vlezigste kroketten – die eet je met je handen uit plastic bakkies.
Ajax is geen geweldige snackbar, meer een overpriced restaurant met witleren stoelen, waar ze je murw beuken met onbegrijpelijke amuses van zeekraal en kaviaarmousse.

‘Het mag best een beetje hard zijn,’ zei de redacteur die me vroeg het verhaal te schrijven. In tijdschriftentaal betekent dat: schrijf een hard stuk.
Dat harde stuk kwam er nooit: ik keek naar trainingen, ging bij wedstrijden langs, turfde zelfs alle balcontacten die Janssen had en kwam tot de conclusie dat, als het al slecht ging, het aan hem niet kon liggen.

Wat beters te doen
Het ontroerende van Theo Janssen – los van z’n traptechniek en z’n gemenige grijns – was dat hij uit een ander tijdperk leek te zijn komen fietsen. In alles was hij een voetballer uit de jaren zeventig, hij slaagde erin een onblusbare heimwee op te roepen naar een tijd die je niet eens bewust had meegemaakt.
Hij was de voetballer die iedereen het liefst wilde zijn, omdat iedereen hem al bijna was – alleen een dosis onvoorstelbaar talent om te voetballen onderscheidde hem van de rest.
Dat hij me geen interview gunde, nam me alleen maar meer voor hem in: Theo Janssen wilde gewoon voetballen, zonder gelul.
Een kapotte knie heeft hem van het veld gekregen, en iedere voetballiefhebber zou dat vreselijk jammer moeten vinden. Het is alsof je favoriete schrijver aankondigt nooit meer een letter op papier te zetten.

Wat rest, zijn de doelpunten, de assists, de anekdotes en het slot van een interview dat Marcel van Roosmalen met Janssen had voor zijn legendarische ‘Je hebt het niet van mij’-Hard Gras over Vitesse:
‘Zo klaar. Ik heb nu wat beters te doen.’
‘Wat dan,’ vroeg ik.
Theo: ‘Schijten.’