Waarom het eurobiljet van €500 ook wel ‘Bin Laden’ wordt genoemd

Volgens critici zijn ze bij uitstek geschikt voor drugskoeriers, witwassers en belastingontduikers: biljetten van vijfhonderd euro. Ze zijn niet zo populair in het dagelijks betaalverkeer, maar ondergronds floreren ze. In Spanje schijnen de briefjes ook wel ‘Bin Ladens’ te worden genoemd: je ziet ze nooit, maar je weet dat ze er zijn.

Spanje heeft sowieso een belangrijke relatie met het meest waardevolle eurobiljet: in 2008 wist The New York Times te melden dat een kwart van de 500 eurobiljetten zich in Spanje bevond, terwijl de economie van dat land in die tijd goed was voor amper 11% van het bbp van de eurozone. Volgens de krant was dat de duidelijkste aanwijzing voor het bestaan van een grote ondergrondse economie in Spanje. (De reden daarachter is van praktische aard: wie 1 miljoen euro in coupures van 100 euro wil, krijgt er 10.000, datzelfde bedrag in coupures van 500 euro zijn er amper 2.000. Mensen die hun geld cash bewaren om het geheim te houden voor de fiscus, kiezen dus voor grote coupures.)

Volgens Antti Heinonen, die ten tijde van de invoering van de euro bij het EMI verantwoordelijk was voor de beslissing in welke coupures de euro zou verschijnen, zit dat anders. De Fin heeft een boek geschreven over die eerste dagen van de euro, waarin hij onder meer vertelt hoe de uitgave van een ‘superbiljet’ van 500 euro tot stand kwam. Volgens hem wordt slechts één procent van alle 500 eurobiljetten gebruikt om mee te betalen, het overgrote deel van de briefjes zou ‘slechts’ gebruikt worden om opgepot te worden.

Gevoel van zekerheid
Heinonen stelt dat biljetten met zo’n hoge waarde mensen een gevoel van zekerheid geven als het om hun spaargeld gaat. De Spanjaarden zouden de banken niet meer vertrouwen en hun geld liever in papieren vorm in een oude sok bewaren. De Fin gaat zelfs zo ver om te zeggen dat Europa de bankencrisis ‘nooit te boven was gekomen zonder het paarse eurobiljet’. Centrale banken zouden tegenwoordig zelfs een behoorlijke voorraad 500 eurobiljetten in de kluis bewaren, om een volgende crisis door te kunnen komen met voldoende tegoeden.

Wij zijn geen witwassers!
Nederland was bij de invoering van de euro een van de weinige landen die al een biljet hadden met een waarde hoger dan tweehonderd euro. Alleen België, Italië, Oostenrijk, Luxemburg en Duitsland hadden dat ook. Het Duitse briefje van duizend mark was zelfs het meest waardevolle papiergeld in de hele eurozone: omgerekend was dat zo’n 510 euro waard. De zes landen met de grote flappen reageerden volgens Antti Heinonen nogal verontwaardigd toen er bij het beslissen over de coupures gesuggereerd werd dat zulke ‘grote biljetten’ weleens corruptie en witwasserij in de hand zouden kunnen werken.