Het leed van een wees

Basilio Vargas en ik hebben iets gemeen. We zijn allebei op jonge leeftijd wees geworden. Of eigenlijk halfwees. Zijn vader overleed toen hij twee was, mijn vader kwam kort voor mijn vierde verjaardag om het leven. Als jonge arme Boliviaan verlies je dan niet alleen je vader, maar ook een groot deel van je jeugd.

Het inkomen van Basilio’s moeder is onvoldoende om Basilio en zijn jongere broertje en zusje een toekomst te geven. Als Basilio tien is, wordt hij de levensgevaarlijke mijnen bij Potosí in gestuurd om hoofdkostwinner te worden. In een vrijwel uitgeputte mijn moet Basilio soms 24 uur achtereen werken om omgerekend één à twee euro te verdienen. Tijdens mijn tiende verjaardag vaar ik met mijn moeder en haar vriend op een vijvenhalve meter lang bootje door Friesland. Een voor Gooische begrippen karige vakantie. Maar het mooie weer en het zojuist gekregen waterpistool vergoeden alles. Bang om uitgelachen te worden door klasgenootjes met rijkere ouders ben ik niet.

Van het weinige geld dat Basilio opzij kan zetten, gaat hij een paar uur per dag naar school. Hopend op een toekomst buiten de mijnen. Op het schoolplein praat niemand met hem en hij met niemand. Bang voor de hoon die hem ten deel valt als zijn klasgenoten ontdekken dat hij mijnwerker is. Maar dat zijn slechts de angsten van het bovengrondse. De wereld van God. De echte angsten beleeft hij in het ondergrondse. In de wereld van duivel Tio. Hij kan de mijnwerkers vermorzelen door een instorting of een explosie. Om Tio gunstig te stemmen, offeren de mijnwerkers hem alcohol, sigaretten en vooral cocabladeren. Dezelfde cocabladeren die Basilio en zijn kompanen dagelijks in grote hoeveelheden kauwen. Het kauwen van de bittere blaadjes helpt honger, angst en vermoeidheid te onderdrukken. Als ik tien ben, is mijn grootste angst dat mijn moeder of oma erachter komt dat ik snoepjes uit de voorraadkast heb gepikt.

Als Basilio veertien is, krijgt hij hulp van zijn twaalfjarige broertje Bernardino, die vreselijk bang is van de afbeelding van Tio. Zijn ervaren broer leert hem dat hij Tio onder ogen moet durven komen en hem cocabladeren moet offeren. Wie Tio niet respecteert, kan het slachtoffer worden van een matige opbrengst, explosie of instorting. Wanneer Basilio met zijn broertje onder het oog van Tio zit, horen ze diverse explosies. Terwijl ze de explosies tellen, rennen ze naar de uitgang. De explosies volgen steeds korter op elkaar, maar gelukkig weten ze veilig hun huisje bij de ingang van de schacht te bereiken.

Enkele weken later krijgt Basilio een betere baan aangeboden in een andere mijn, de Cerro Rico. Cerro Rico betekent ‘Rijke berg’, maar staat beter bekend als ‘de berg die mensen eet’. In vijfhonderd jaar tijd zouden er miljoenen mijnwerkers in de berg zijn omgekomen. Maar Basilio heeft geen keus. Op de voorwaarde dat hij geen ongelukken maakt, krijgt hij een salaris van omgerekend drie euro per dag. Met dit salaris heeft hij misschien genoeg om zijn schoolcarrière voort te zetten. Ondertussen gaat mijn eigen schoolcarrière bergafwaarts. Ondanks de steun van mijn moeder, familie, kennissen en de Nederlandse staat word ik op mijn veertiende teruggezet naar de havo. Wel krijg ik een bijbaantje bij een schoonmaakbedrijf. Met een salaris van circa €3,50 per uur moet ik in staat zijn om zelf mijn broodjes kroket, energiedrankjes en voetbalschoenen te bekostigen. Driemaal per week ga ik met lood in de schoenen naar school, bang voor een onverwachte overhoring Frans.

Basilio wordt door zijn baas ondertussen meegenomen naar de diepste schachten, waar de ‘boorders’ werken. Zijn baas vindt dat Basilio respect moet krijgen voor de mannen die daar onder de zwaarste omstandigheden werken. Bij een temperatuur van veertig graden boren ze naar zilver, terwijl het opstuivende stof het zicht tot een paar centimeter beperkt. Volgens zijn baas heeft Basilio zich moedig getoond en kan hij binnen een paar jaar opklimmen tot boorder. Maar Basilio wil niet opklimmen. Hij weet dat het stof onherroepelijk bezit neemt van de longen van elke mijnwerker. Mannen met dit beroep worden zelden ouder dan veertig. Basilio wil, net als ik, ouder worden dan onze vaders zijn geworden. Net als ik droomt Basilio van een wereld die groter is dan ons geboortedorp. Als veertienjarige staar ik op de wereldmap en droom ik van reizen naar Zuid-Amerika en Australië. Basilio is bescheidener en droomt over een leven in een andere Boliviaanse stad: Cochabamba, Santa Cruz of misschien wel La Paz.

Uiteindelijk lukt het mij om via havo en vwo naar de universiteit te gaan en vervolgens werk te vinden. Na een paar jaar bij een communicatiebureau werken en columns schrijven kan ik mijn droom waarmaken. Ik zeg mijn baan op en ga acht maanden reizen door Zuid-Amerika. Eenmaal in het Boliviaanse Sucre besteed ik een half dagsalaris van Basilio om zijn aangrijpende levensverhaal te zien dat is opgetekend in de prachtdocumentaire The Devil’s Miner (2005). Of Basilio naar andere steden reist weet ik niet, maar na de publicatie van de documentaire schoot een Duitse liefdadigheidsorganisatie te hulp en kon zijn familie de mijn vaarwel zeggen en een winkel openen. Zijn longen zijn in ieder geval gered, maar de longen van duizenden anderen, waaronder veel kinderen, worden nog dagelijks vervuild. Onder meer voor de winning van lithium, een grondstof die gebruikt wordt voor batterijen in tablets en laptops. Zoals de laptop waarop ik dit verhaal schrijf, terwijl ik mij hemelsbreed nog geen 200 kilometer van de mijnen bevind.