Chillen met Barack

Gisterochtend vroeg tufte ik opgewekt met een verse perspas om mijn nek vanuit de provincie richting het Museumplein waar Barack Obama met zijn helikopter zou landen. Ik had al een tijdje lopen zaniken bij de hoofdredacteuren van HP/DeTijd, dat ik graag verslag van deze bijzondere dag wilde doen, en eindelijk kreeg ik de verlossende mail. Het mocht, mits ik er geen flauw stukje over zou schrijven.

Wereldleiders uit de lucht kijken
Het begon gelijk goed. Rond het Museumplein was alles afgezet en ik verdwaalde in mijn poging dichterbij te komen. Toch, als ik goed keek zag ik nog net een stukje van de presidentiële propeller in de rondte draaien. Ik maakte er een foto van en zette hem op Facebook. Een mevrouw zag mij opgewonden naar de lucht staren en vroeg of ik niets beters te doen had dan wereldleiders uit de lucht te kijken. Ik moest daar ontkennend op antwoorden. Op mijn smartphone kon ik via de NOS een live-blog volgen. Barack en Mark noemden elkaar Barack en Mark. Dat gaf me een veilig gevoel. Als (wereld)leiders elkaar tutoyeren lijkt oorlog ver weg.

Op zoek naar een verslag
Ik probeerde dichterbij te komen maar stuitte op een muur van agenten. Ik liep rond, op zoek naar een verslag. Twee mensen van Radio 1 renden voorbij, ook zij waren op zoek naar een verslag. Ze gingen een school binnen. Ik keek alsof ik er bij hoorde en liep mee. Dat kan ik heel goed. De radiomensen interviewden wat kinderen. De kinderen zeiden dat Obama bij hen in de school was geweest. Volgens de radiomeneer kon dit niet. Het was vast een malle meneer geweest die gedáán had alsof hij Obama was. De kinderen keken hem niet-begrijpend aan en zeiden dat hij zelf een malle meneer was.

Toen kwam een meisje vertellen dat ze gingen spelen op straat. Dat kon makkelijk nu alles was afgezet. Ze had nog nooit op straat gespeeld. Ze keek alsof ze voor het eerst de zon zag. Een jongetje kwam aangelopen. ‘Hé,’ zei de radiomeneer en stak zijn dikke grijze microfoonworst naar voren, ‘ben jij dat jongetje dat net heel diep uit het raam hing?’ Het jongetje knikte. Ja, dat was hij. Hij had Barack buiten zien lopen maar toen hij uit het raam hing zag hij dat het een oude mevrouw was met een witte jas aan. ‘En toen viel je bijna uit het raam hè’ hinnikte de radioman verlekkerd. Het jongetje barstte in lachen uit. Nee, natuurlijk niet, hij was geen sukkel. Ik had met de radioman te doen. Soms zoek je een verslag en vind je niks, hoe goed je ook zoekt.

De vinger van Barack
Ik liep naar de dichtstbijzijnde coffeeshop, bestelde een joint en hees me op een barkruk. Op televisie legde Mark Rutte voor een zaal uit dat het wel vierentwintig uur duurt eer zwarte Pietenschmink van je gezicht af is. Naast mij zat een man in een grijze wolk. Hij had meegekeken en hoestte zich te pletter van het lachen. Ik stapte de wolk in om de man eerste hulp te verlenen. Toen verschoof de wereld een stukje. Daar zat Barack Obama! Hij zag mijn verbaasde gezicht en moest nog harder lachen. Hij zag er retecool uit. ‘Zeg maar Barack,’ zei hij stralend. Hij had de mooiste tanden van de wereld. Barack zag mijn perspas en legde zijn wijsvinger op mijn mond. Hij smaakte zoet. Ik zou mijn mond nooit meer wassen. Er nooit meer mee zoenen, eten, drinken, roken. Ik zou langzaam oplossen met niets dan de zoete herinnering van Barack zijn vinger op mijn mond. Ik keek naar buiten. De radioman liep voorbij, zijn grote wollen microfoon gejaagd vooruit gestoken, nog altijd op zoek naar een verslag. Barack zag het ook. Hij grinnikte. Ik grinnikte. Wij grinnikten. Wij, Barack en ik.

Dichter Johanna Geels beschrijft de absurdistische en poëtische kant van de dagelijkse dingen.