Mijn jaren ’90: Dr. Martens, een blonde piloot en veel nostalgie

Van de Vlaams-Amsterdamse schrijver Ivo Victoria verscheen deze week de roman Dieven van vuur. Ik heb het boek nog niet gelezen, maar de achtergrond waartegen het verhaal zich afspeelt, spreekt tot mijn verbeelding: het Antwerpen van de jaren negentig, toen dEUS zijn gloriejaren kende en het Zuid de ultrahippe buurt van ‘de schoonste stad van ’t land’ was.

In Antwerpen kwam ik in die tijd alleen toen ik op bezoek ging bij mijn tante Maria, die vanuit haar huis in Zwijndrecht de spitse toren van de Onze Lieve Vrouwekathedraal kon zien. Het Zuid kende ik niet, en hip was ik waarschijnlijk evenmin, maar de jaren negentig heb ik natuurlijk wél in al hun glorie meegemaakt. In de trailer van Dieven van vuur wordt aan Vlaamse en Nederlandse auteurs gevraagd wat het eerste is wat bij hen opkomt als ze terugdenken aan de jaren negentig. Omdat zwelgen in nostalgie zo heerlijk is, heb ik mezelf ook de vraag gesteld.

Als ik terugdenk aan de jaren negentig, zie ik mijn eerste glas bier op de zestiende verjaardag van een vriendin. We zaten in de zon op de warme stenen van haar terras, en the real stuff durfden we nog niet aan, dus maakten we een mengsel van cola en bier dat je ook op café kon krijgen door naar ‘een mazout’ te vragen. Wie mazout in plaats van een pint bestelde, werd minder snel ijl in het hoofd, al voelde ik me na één glas al duizelen en nam ik mezelf voor om nooit dronken te worden. Mazout drinkt vandaag niemand meer, en mijn voornemen… nou ja, zwijg stil.

In de jaren negentig kocht ik met het geld dat ik verdiende door het appartement van mijn grootmoeder te kuisen mijn eerste boek en cd: The Catcher in the Rye van J.D. Salinger en Melancholy and Infinite Sadness van The Smashing Pumpkins. Het boek vond ik geweldig, maar de cd viel tegen, al durfde ik dat niet hardop te beweren, want op mijn school beleed men de grunge. Wie naar dancemuziek luisterde, was fout of zelfs de vijand. Wat dat betreft heb ik geen heimwee naar de nineties: het opgeheven vingertje van de smaakpolitie is verdwenen, of ik heb er in elk geval geen last meer van.

Waar ik wél met melancholie aan terugdenk, zijn de communicatievormen van toen. Mijn jaren negentig, dat was handgeschreven liefdesbrieven krijgen van een blonde jongeling die zei dat hij piloot zou worden en mij wilde meenemen, maar ik schreef nooit terug omdat ik zijn bewering pure aanstellerij vond. (Hij werd piloot, bij Air France dan nog. Damn.) De jaren negentig waren de tijd waarin ‘chatten’ gewoon een Engels woord voor ‘kletsen’ was, dus wanneer ik met mijn beste vriendin over puber- en aanverwante problemen wilde praten, moest ik bellen naar het vaste nummer van haar ouders, dat ik nog steeds uit het hoofd ken.

De jaren negentig. Je moeder de oren van het hoofd zeuren omdat je skeelers wil, maar zij weigert omdat ze vreest dat je al je botten zal breken. Apetrots met je nieuwe Dr. Martens naar school gaan, en je zoveel jaren later afvragen hoe je die schoenen in godsnaam zo mooi kon vinden dat je bijna flauwviel toen je ze eindelijk mocht kopen. De jaren negentig. Op een console in de supermarkt Super Mario Bros spelen. Naar Fort Boyard kijken. De verplichte inktvullingen op school verketteren. Liedjes op de radio opnemen op cassettes en vloeken omdat de presentator net voor het einde begon te kletsen.

Toen nostalgie in 1678 voor het eerst werd beschreven, was er sprake van een ‘onbestemde zucht naar het vaderland’. Een verlangen om weer thuis te komen dus, en dat is precies wat nostalgie naar mijn jaren negentig is: het gevoel weer thuis te komen. In mijn verleden. In mijn jeugd. In hoe het ooit is geweest.

Het is voorbij, allemaal voorbij, want de tijd heeft ons the roaring nineties afgenomen. Mijn Dr. Martens staan op zolder, net als mijn cassettes, maar wat ik nu beter besef dan toen is dat de tijd weliswaar een dief is, maar dat we hem met woorden, die tot leven wekken wat eens was, te snel af kunnen zijn.

Het is wat ik in dit stukje heb gedaan, en Ivo Victoria in zijn nieuwe boek, waarin ik nu met dezelfde gretigheid duik als toen ik in de jaren negentig een zak Smiths-chips opende om er de flippo uit te vissen.