Waarom wielrennen in de vroege lente zo heerlijk is

Hij kijkt vooruit, ziet niets. 
Hij denkt niet na, hij fietst. 
Al doen z’n benen pijn, hij moet de snelste zijn. 
Ze halen me nooit meer in, denkt hij. Verdomd ik win.

Zelden iemand zo zien hannesen met een champagnekurk als Niki Terpstra, gisteren na de aankomst van de midweeks koers Dwars door Vlaanderen. Maar daarover later.

Dwars door Vlaanderen is het aanloopje tot het echte werk, de laatste stapjes van Peter-Jan Rens op de duikplank van Sterren Springen alvorens hij met een viervoudige schroef definitief de vergetelheid inlazert: er gaat iets Heel Leuks beginnen, maar het is nog niet zover.
In het wielrennen is de aanloop naar het leuks vaak het leukst.

Dwars door Vlaanderen was gisteren een voorgerecht dat zo verfijnd was dat het hoofdgerecht daar over anderhalve week eerst nog maar eens overheen moet zien te komen. Het was een wedstrijd van het zeldzame soort dat je een wielerhater kunt voorhouden om te bewijzen: iets mooiers dan wielrennen bestaat er eigenlijk niet.

Het zat ‘m in alles, gisteren: de lente die de hemel voor de gelegenheid in fris blauw en wit had geschilderd, de aanwezigheid van Alejandro Valverde (de klassiek-verdachte Spanjaard die een geslaagde imitatie van “de flandrien” ten beste gaf), het zat ‘m in het commentaar van Wuyts en Vannieuwkerke (De Sporza-spitsen die weliswaar op elkaar zijn ingespeeld, maar die allebei toch het liefst zelf scoren), de solo van Niki Terpstra, de ploegtactiek, de beweging van nummer twee Farrar toen die over de streep ging (een slag in de lucht van het soort waarmee karateka’s voor hun examen plankjes hout te lijf gaan), de betonbanen, de Paterberg… ach, alles eigenlijk.

Ik keek, genoot en dacht: waarom houdt toch niet iedereen van de koers in het voorjaar, als alles nog vers en vol belofte is? Je moet toch wel een verdraaid goed excuus hebben om op woensdagmiddag iets anders te doen dan naar Niki Terpstra te kijken. Na de finish, alsof het allemaal nog niet mooi genoeg geweest was, citeerde Terpstra Henny Vrienten. Gewoon zomaar, in wat ze op de Belgische televisie een flash-interview noemen.

‘Ik keek vooruit, zag niets. Ik dacht niet na, ik fietste gewoon. Enne, ik had in m’n benen pijn, maar ja, ik wou de snelste zijn. Ze haalden me nooit meer in en ik dacht: verdomd, ik win.’

Even later, op het podium, kreeg Niki Terpstra zijn kurk niet van de champagne. De nummers twee en drie wel: ze sproeiden de drank in het niemandsland voor het podium.

Uiteindelijk lukte het toch en spoot Niki Terpstra de missen nat.
Iedereen lachte, terwijl: zo grappig was het niet.
Iedereen lachte omdat ze een fijne middag hadden gehad.
O, wat is het toch heerlijk als iets fijns de voorbode is voor nog veel meer fijns.
O, wat is wielrennen in de vroege lente toch eigenlijk verrukkelijk.