Peter Jan Rens. Schoongesprongen

Je kunt me er midden in de nacht voor wakker maken.
Topsport. Altijd zin in.

Niet alleen voetbal en wielrennen hoor, bejjegek.
Alle sporten. Altijd.
Er hoeft maar iemand een prestatie te leveren en ik zit te kijken.
Met stralend weer en midden in de nacht.
Potje darts, uurtje biatlon, stukkie skippyballen; zolang het maar in competitieverband gebeurt, ben ik gelukkig.
Sport, heerlijk.
En alle zenders he, niet alleen dat snobistische NOS-geleuter waar ze onderscheid maken tussen de ene sport en de andere. Nee, sport is sport en daarmee basta.

Sterren springen
Zo begint vanavond op SBS het sportprogramma Sterren springen, een schoonspringwedstrijd die tegelijk een afvalrace is. Dubbel sport dus, eigenlijk.
De afgelopen weken verschenen er her en der al voorbeschouwingen op de wedstrijd.
En ik kende niet alle deelnemers – tijdgebrek noopt me af en toe een schoonspringpotje aan me te laten voorbijgaan, en bovendien: de NOS zendt schandalig weinig schoonspringen uit – dus ik me verdiepen.

De eerste springer heette Peter Jan Rens.
Hij leek me wat oud.
De reportage begon met een terugblik op Rens’ carrière.
Bleek hij jarenlang in de boksring actief te zijn geweest! Wist ik dus niet.
Volgens Rens, die wordt begeleid door vriendin en coach Virginia van Eck, is zij het die hem heeft ingeschreven voor het toernooi.

“Ik heb nog nooit zo iemand meegemaakt,” zegt Van Eck in het filmpje.
Dat hoor je vaak, over topsporters. Unieke types zijn het.
Wat volgt is een ontroerende omschrijving van de eerste ontmoeting van het liefdespaar, waarna Rens ‘gewoon afspraken heeft gemaakt dat we elkaar nooit zouden verlaten’.
Ook typisch topsport: je hebt die solide basis van een gezin nodig. Dat Virginia nu al zwanger is en met zo’n toeter door het leven gaat, geeft Rens ongetwijfeld weer dat stukje extra motivatie.

Virgina, stelt Rens, ‘is een op hol geslagen rodeopaard dat ik rustig moet zien te krijgen’. Ook hier weer: het idioom van de topsport.
Overal een wedstrijd van maken.
Altijd de beste willen zijn.
Het tekent het talent en de wilskracht die nodig is om zo groot te worden als Rens (vermoedelijk) is.
De sporter is onzeker. Rens dus ook. Hijzelf wordt plots bereden door irreële angsten (“Als ik op een handdoek sta, heb ik al hoogtevrees”), die hem door een liefhebbende coach annex vriendin uit het hoofd worden gepraat.
“Hij moet z’n eigen niet zo aanstellen. Je leeft maar één keer.”

De kunst van het weglaten
Rens onderkent wel het belang van een strenge begeleiding.
“Ik ben een dramatisch persoon.”
Dan volgen er beelden van de training. Steeds opnieuw laat de afgetrainde Rens zijn lichaam in het water klatsen, en iedere keer begint hij bij de basis: de eenvoudige duik, de eenmeterplank.
Na een paar sprongen heb ik genoeg gezien: Rens beheerst de kunst van het weglaten.
Maar Van Eck zei: “Ik zit hier niet voor jan lul.”
Volharding. Gratie. Oprechte drive. Doorzetten. Liefde.
Wat kan topsport toch mooi zijn.