John van Loen – Man van de wereld

John van Loen wordt trainer in Azerbeidzjan.
‘Een hele mooie uitdaging,’ zegt hij daarover.

Hij bedoelt: ‘een heel mooie uitdaging’, want het is het ‘mooi’ dat heel is en niet de uitdaging. Dat komt: John van Loen is gewoon gebleven.
’s Ochtends is John van Loen bezig met de dingen waar wij allemaal mee bezig zijn.
Tanden poetsen, de dood op afstand houden, haren bijkleuren, dat werk. De gewone, dagelijkse dingen.
Of dacht u dat dat rood echt was? Nee toch?
Dat komt: John van Loen is dan wel gewoon gebleven, maar z’n haarkleur is nep.

De Kopgalg
Het is natuurlijk een hele uitdaging, Azerbeidzjan. Maar John is niet voor een kleintje vervaard: bekend is natuurlijk het verhaal hoe hij als twaalfjarige pupil inviel bij zijn plaatselijke amateurclub De Grasknagers uit Hardegarijp. John, die toen twee meter twaalf mat en bij een incident met een te heet bad nog flink gekrompen is, scoorde zeventien keer, waarvan achttien keer met het hoofd.
Vonden ze in Hardegarijp heel normaal, pas toen het verhaal in Sexbierum terecht kwam kreeg het een mythische status.
Ze noemden John van Loen in Hardegarijp toen ‘De Kopgalg’, een bijnaam die men zo letterlijk nam dat er indertijd zelfs nog drie kleine fikkiestokers zijn opgehangen aan het voorhoofd van John van Loen. Wat een spektakel was me dat.
Destijds had John van Loen nog paars haar.

Paars
Later, toen John van Loen als spits van Roda JC, FC Utrecht en Ajax een heuse celebrity werd, vroeg hij zich in een interview met de Gooi- en Eemlander af waarom mensen toch zo om hem lachten.
‘Is het omdat ik niet echt kan voetballen?’ vroeg John van Loen de journalist.
De journalist – een kwal van een vent die later nog een tijdje president van het Hell’s Angels-chapter in Boekelo zou worden, tot dat zou worden opgeheven toen de enige andere Boekelose Hell’s Angel stierf bij een aanrijding met een bakfiets – zei: ‘Nee John, het is je haar. Het is paars.’
‘Wat is er mis met paars?’ vroeg John, toen nog zo groen als het gras uit het spreekwoord, maar minder groen dan de balletjes snot die hij in die dagen stiekem onder de tafels van het spelershome placht te plakken.

‘Laat ik het zo stellen,’ zei de journalist – laten we hem Harry de Gever noemen, hoewel hij in werkelijkheid Guus Julles heette – ‘als ik paars haar had, liet ik het verven.’
‘Echt?’ vroeg John, want hij was zo argwanend als een man met een bovengemiddelde aanleg voor argwaan.
‘Ja,’ zei Harry de Gever met de hem later fataal geworden stelligheid. ‘Het is te.’
John van Loen wist toen al dat alles waar te- voor staat niet goed kan zijn, behalve dan tequila en teorie.
Dus toen verfde John van Loen zijn haar fel oranje.
Niet veel later werd hij opgeroepen voor het Nederlands Elftal – toeval bestaat niet.

Ondanks zijn legendarische successen bij allerlei clubs en in allerlei legendarische wedstrijden – die we hier natuurlijk niet allemaal gaan opsommen, we herinneren het ons allemaal als de dag van gister – bleef John van Loen gewoon.

On verra
Niemand die John in Hardegarijp jaren geleden door de straten zag lopen – een emmer water op het paarse hoofd, als mode-statement – kon toen bevroeden dat die reus ooit trainer in Azerbeidzjan zou worden. Als men John toen vroeg ‘Wat denk je van Azerbeidzjan, beste John?’ zette hij zijn emmer naast zich neer en kopte een voorbijzeilende bal in een nabijgelegen doel. Daarna pakte hij zijn emmer, plaatste hem terug op zijn kop en liep voort, een gouden toekomst tegemoet.
Nu moet gezegd dat dit Johns geijkte reactie op moeilijke vraagstukken was – hij heeft er het Hardegarijps gymnasium glansrijk mee doorlopen.
Tegenwoordig moeten kinderen presteren, punten halen, tonen dat zij kennis vergaard hebben. Destijds, in Hardegarijp, kwam je met een originele benadering al behoorlijk ver.

Ik zie hem al lopen, John, in Bakoe.
Belangrijkste man van Azerbeidzjan.
Flaneren.
In zijn rechterhand een lijn, waaraan een Siberische tijgerwelp trekt.
Op het oranje hoofd een hoge, fluwelen hoed die hij van de vorige technisch directeur heeft overgenomen. De hoed is zo goed als nieuw, op de boven-, de onder- en de zijkant na.
‘Gaan we winnen zaterdag?’ zullen de Azerbeidzjaners vragen, met die typisch Azerbeidszjaanse vasthoudendheid. Kritisch, maar niet onvriendelijk.
En John van Loen zal glimlachen, zijn hoed in de hand nemen, een voorbijzeilende bal in een nabijgelegen doel knikken en dan nadenkend mompelen: ‘On verra.’
Want John van Loen uit Hardegarijp mag dan gewoon gebleven zijn, hij is ondertussen toch ook een man van de wereld geworden.