Niki. Niki. NIKIIIIIHIIIIIIIIII!!!

Je zou natuurlijk allerlei redenen kunnen verzinnen om niet enthousiast te worden van de zege van Niki Terpstra gisteren op het Velodrome van Roubaix. Ik noem er vijf:

1. Niki rijdt voor Quickstep, een ploeg onder leiding van de manager die jaar in, jaar uit Parijs-Roubaix wint, als Cancellara tenminste niet wint. In geen enkele koers is het hebben van personeel overwicht zo belangrijk als in die wedstrijd tussen Parijs en Robeke – vraag maar aan Servais Knaven.

2. Niki is geen underdog. Hij is opgewekt, brutaal, welbespraakt – geen antiheld met een bochel en een slepend been die een postzak droeve familieverhalen achter zijn fiets aansleept. Niki is een gezonde kerel met een goed salaris, een fijne vrouw (leuk jasje ook) en ongetwijfeld een paar snoepjes van kinderen. Ik weet het natuurlijk niet zeker, maar waarschijnlijk is Niki ook nog een uitstekend barbecuer, goed met dieren, houdt hij van een opgeruimd, schoon huis en is hij een van die paar zeldzame exemplaren van de mensensoort die in het weekend de Wetenschapsbijlage, de Boekenbijlage en de Opiniebijlage leest VOOR hij aan de Sport begint. Niki kortom is een uitstekend mens, iemand die alles al heeft – iemand die geen Parijs-Roubaix nodig heeft om zijn leven compleet te maken.

3. Het gaat niet goed met de wereld – het is overal oorlog, milieuvervuiling, ‘Sterren Springen’ is terug: er is echt wel wat aan de hand en wij hebben het over de nationaliteit van de winnaar van een of ander wielerwedstrijdje.

4. Parijs-Roubaix is een overschatte klerekoers, een zieke fantasie van een handvol gefrustreerde Fransen die zich sinds 1897 net zo weinig hebben ontwikkeld als het wegennet in de directe omgeving. Kasseien zijn geen plaveisel, of: dat zouden ze in elk geval nooit mogen zijn. Het zijn massavernietigingswapens voor banden en frames. In Noord-Frankrijk cultiveren ze hun eigen verwaarlozing, een beetje alsof de gemeente Utrecht eerst het hele centrum zou afbreken en dan tussen die bouwputten de start van een groot wielerevenement… Nou ja, dat is dan misschien een slecht voorbeeld, maar wat ik maar wil zeggen: Parijs-Roubaix is geen wedstrijd, het is een loterij als ieder ander. Aan het begin van de dag tekenen 220 jongemannen een startblad en degene die ’s middags nog op z’n benen kan staan en z’n fiets in drie of minder stukken aan de jury kan tonen, heeft gewonnen.

5. Gesteld dat je Parijs-Roubaix geen bedroevend zootje ongeregeld vindt, maar veel meer een heroïsch gevecht, een strijd met de elementen, een vooroorlogse knokpartij met dito bestrating, een Odyssee waarbij tactisch vernuft, fysieke uitputting en kilo’s modder van een eenvoudige wielerwedstrijd een veldslag tussen sponsorploegen maakt. Gesteld dat je dat vindt, dan was de wedstrijd gisteren toch een ronduit teleurstellende uitvoering? Laat ik het zo stellen: een Parijs-Roubaix waarin Bradley Wiggins er na het Carrefour de l’Arbre nog vooraan bijzit, is geen Parijs-Roubaix, maar een puntenkoers op de baan van Sloten. De zon scheen, het temperatuurtje was heerlijk, stof en modder hadden blijkbaar net even wat anders te doen en toen Niki Terpstra (WIE?!) de wielerbaan opdraaide, zag iedereen meteen dat het Niki Terpstra (DIE!) was. Meer dan 260 kilometer met een gemiddelde van meer dan 45 per uur had nauwelijks zichtbare sporen achtergelaten. Ooit moest de speaker persoonlijk de lagen modder van het gezicht van de winnaar bikken om te kunnen aankondigen dat die en die gewonnen had of moest er een miss met een kruimeldief en een spons aan te pas komen, maar tegenwoordig rijden ze naar de finish alsof er verdorie geen kasseien, geen wind, geen tegenstand en geen valpartijen-met-kettingen-die-zich-in-je-bovenbeen-vastdraaien bestaan. Parijs-Roubaix 2014, een soort Ronde van Drenthe, maar dan zonder de VAM-berg. Vier valide redenen, zeker. Gelijk dat u heeft als u de zege van Niki Terpstra aan de hand van een of meer van deze argumenten wegzet als volkomen irrelevant.

Mij lukt het niet.

Stream of consciousness
Dat komt zo: ik was gistermiddag niet in Roubaix. Ook niet in Parijs trouwens. Ik was ook niet thuis, op de bank, in de totale concentratie die een wielerklassieker van zijn fans eist. Nee, ik zat bij een Literaire Middag over Ierse literatuur.
Steeds als een van de sprekers uitgesproken was en zijn of haar applaus in ontvangst had genomen, stiefelde ik het podium op om de spreker in kwestie af te kondigen en om het applaus te vragen dat dus al was geweest.
Daarna kondigde ik de volgende spreker aan.
Enzovoort, een hele middag lang.

Halverwege een panelgesprek over het belang van Laurence Sterne voor het werk van James Joyce (voor de liefhebbers: het betreft hier de oeruitvinding van de zogenaamde stream of consciousness, een literaire techniek waarbij de schrijver de gedachten van zijn hoofdpersonage als een lange, ononderbroken stroom voorstelt – een beetje zoals Michel Wuyts commentaar geeft, eigenlijk) begon mijn telefoon opeens nerveus te trillen.
Een bericht, afkomstig van een vriend die wist dat ik niet aan het kijken was.

‘Nog 3,8 kilometer. 11 seconden,’ stond er.
En in het volgende bericht stond: ‘Niki’.
Weer een bericht later: ’18 sec, 1,9 kilometer.’
Het was een soort digitale stream of consciousness, eigenlijk.
Op het podium kwamen ze intussen tot de conclusie dat het belang van Laurence Sterne voor het werk van James Joyce niet onderschat mocht worden.
Nog een berichtje: ‘Hij gaat het halen.’
En vlak voor ik het podium op moest om de sprekers te bedanken voor hun verhelderende inzichten, kreeg ik nog een laatste sms. Er stond: ‘Veel plezier nog met de literatuur.’

NIKIIIIIIIIHIIIIII
Eenmaal thuis installeerde ik me op de bank en keek de laatste zestig kilometer van de wedstrijd terug.
Ik wist al wie er ging winnen.
Ik wist al waar hij zou gaan.
Ik wist al hoeveel seconden hij zou overhouden.
Ik wist al hoe teleurgesteld Wuyts zou zijn, hoe hij zou trachten ook deze overwinning op het palmares van Tom Boonen te praten en hoe hij daar in zou falen.
Ik wist alles al.
En toch zat ik en hoopte ik dat het zou gaan zoals ik wist dat het gegaan was. Het zal wel iets te maken hebben met het gebrek aan ervaring van Nederlandse wielerfans om grote successen te vieren. Nederlandse wielerfans zijn als de rechtsback van ADO die in de bekerfinale plots de winnende goal scoort: we weten niet hoe we moeten tonen hoe blij we zijn, we zijn niet in staat het midden te houden tot onze natuurlijke cool en de diepe, vanuit de zolder van ons hart komende vreugde.

Ach, waarom zou je je eigenlijk inhouden?
Dikke kans dat we weer dertien jaar moeten wachten.
Dus, toen Niki Terpstra in herhaling de wielerbaan van Roubaix opdraaide, waren er heel veel redenen om niet heel opgewonden naar de televisie te roepen, om niet net te doen alsof ik het was die iets gepresteerd had door met dezelfde nationaliteit als Niki Terpstra ter wereld te komen, om me niet vreselijk aan te stellen terwijl niemand het kon zien.
Echt heel veel redenen.
Talloos veel redenen.
Ik ga ze hier niet allemaal opsommen.
Het zijn er echt vreselijk veel.
Maar wat kon mij schelen?
Dus riep ik het toch, terwijl niemand het horen kon, met een volume dat ik dertien jaar lang niet meer zo vol had opengedraaid: ‘Niki! Niki! Niki! NIKIIIIIIIIIIHIIIIIIIII!’
Het luchtte enorm op.