Waarom het belangrijk is dat Die Rondvaart Voor Niki Terpstra Er Komt

Niki Terpstra krijgt een rondvaart. Zaterdagmiddag, in een nog nader te bepalen Amsterdamse gracht, zullen duizenden wielerfans Niki Terpstra toezingen, bestrooien met oranje geverfde krantensnippers en toezingen van je hela hola.

Ik vind dat goed nieuws.
Waarom?

Een half opgegeten rolletje Stophoest
Je kunt veel van wielrenners zeggen, maar niet dat hun huldigingen groots en meeslepend zijn. Een erepodium na een belangrijke wielerkoers bestaat vaak uit een paar kratjes bier waar ze in de gauwigheid een 1, een 2 en een 3 op hebben geschilderd. De speaker – vaak dezelfde man die die kratjes tijdens de wedstrijd hoogstpersoonlijk geledigd heeft – kondigt met een enthousiasme dat zijn verstaanbaarheid niet ten goede komt de coureurs aan, die dan uit de geïmproviseerde coulissen gesloft komen en een beetje onhandig op het voor hen gereserveerde kratje gaan staan.

Wie een wielrenner op een erepodium ziet staan, ziet vaak onmiddellijk waarom hij voor een zittend beroep gekozen heeft: de rug staat vaak half naar voren, als een van de muur losgeraakte regenpijp, het gesponsorde petje staat scheef op het hoofd en het lid hangt in de lycra wielerbroek als een half opgegeten rolletje Stophoest. Daarna komt er een meisje in een pastelkleurige jurk van de C&A, met een sjerp die ze de vorige avond zelf uit een oude beddensprei heeft geknipt. “Miss Weekendjeweg.nl” staat er op zo’n sjerp, of “Miss Estate San Gimigniano d’Este 2009”. Mooie meisjes zijn het, de missen in wielerwedstrijden, maar wel van het soort schoonheid dat doet denken aan een heel lekkere peer: je moet er op tijd bij zijn, want voor je het weet is het moment voorbij en kun je ‘m weggooien.

Volgende moment in de gemiddelde wielerhuldiging: de lokale hoogwaardigheidsbekleder. Vaak een man in een kostuum, of een dame in een gelig broekpak en een brilmontuur van graniet. Zijn of haar taak bestaat in de meeste gevallen uit het bij wijze van felicitatie uit de kom zwengelen van de rennersarm, waarna ze met een even kolossaal als monsterlijk kunstwerk van de lokale kunstenaar komen aankakken, want geen wielerkoers deelt nog gewoon medailles of bokalen uit. Soms, als de winnaar pech heeft, hoort er ook nog een pluchen knuffelbeest in het prijzenpakket, of iets koddigs zoals een mand gesponsorde streekproducten-over-de-datum of je lichaamsgewicht in camembert (dit is geen grapje, want de hoofdprijs in de eendagswedstrijd Parijs-Camembert. Na zo’n premie laat je het voortaan wel uit je hoofd om nog eens als eerste over de streep te komen).

Dan zijn er bloemen, een boeket van het formaat waar niemand ooit een vaas voor heeft uitgevonden en dat daarom altijd maar linea recta door de coureurs in het publiek gesmeten wordt – waar een fan er dan heel blij mee is, maar het even later toch ook stiekem in een eenzame Kliko propt, want wat moet je ermee?

(Van dat publiek moet u zich trouwens niet teveel voorstellen: een handjevol moegegilde wieleranciens met drie Duvels in de benen en een naar beneden hangende snor – zowel de mannen als de vrouwen – alsmede een kopgroepje licht-agressief fotograferend personeel). Tussen al het gewriemel op het podium door loopt de onvermijdelijke oud-prof: een man van wie de echo van z’n beroemde naam langzaam begint weg te sterven, een man met een staat van dienst die hem een leven lang vrijkaartjes voor de koers garandeert, plus een job als gastenrondrijder, hulpkoersdirecteur of gewoon als zichzelf.

Witteman bij ‘Sterren Springen’
Dan, aan het slot van deze droef stemmende sessie, is het tijd voor het champagnemoment.
Drie flessen champagne ter grootte van forse kleuters worden ontkurkt, waarna het publiek, de fotografen, de missen, de plaatselijke hoogwaardigheidsbekleder met de granieten bril en de oud-coureur natgespoten worden.
Het gebruik stamt uit de Formule I, en daar had men het best kunnen laten. Wielrenners – een enkele uitzondering daargelaten – beheersen de kunst van de uitgelatenheid niet. Wie met een magnumfles champagne op een podium tekeer wil gaan met een paar mooie meiden, moet op de een of andere manier toch een beetje een man van de wereld zijn. En wie een beetje een man van de wereld is, is vaak een coureur van niks.

De gemiddelde wielrenner voelt zich op een podium nu eenmaal net zo comfortabel als Paul Witteman op de tienmeterplank van ‘Sterren Springen’.
Na het champagnemoment is de huldiging afgelopen.
De plaatsvervangende schaamte is voorbij.
De renner in kwestie is genoeg gekweld.
En DAAROM is het dus goed dat die rondvaart er komt.

Kom ook.