Waarom het verbod op pedovereniging Martijn applaus verdient

Afgelopen vrijdag heeft de Hoge Raad in Nederland besloten dat de pedofielenvereniging Martijn definitief moet worden verboden. Het hof vindt dat de seksuele integriteit van het kind zwaarder weegt dan vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging.

Dat vond ik duidelijk en correct gesproken, maar daar was blijkbaar niet iedereen het mee eens. Al een paar dagen voor de beslissing van de Hoge Raad stond in de Volkskrant een open brief waarin werd verzocht Martijn niet te verbieden. Een verbod zou namelijk ‘de vrijheid van meningsuiting ernstig schaden’, en is een ‘inbreuk op grondrechten’ op basis van ‘een slechts denkbeeldig gevaar voor de openbare orde’.

Bij de ondertekenaars van de brief zag ik namen van collega-schrijvers als Tommy Wieringa, Charlotte Mutsaers, L.H. Wiener, Maartje Wortel, A.H.J. Dautzenberg en Arnon Grunberg. Op De Correspondent verscheen maandag een stuk van Rob Wijnberg, waarin hij uitlegde waarom het fout is om Martijn te verbieden. Een flink deel van weldenkend Nederland, zo moest ik wel concluderen, staat dus achter Martijn, en etaleert daarmee in één en dezelfde beweging ook zijn ruimdenkendheid.

Moet ik daaruit dan tegelijk concluderen dat ikzelf, die de beslissing van de Hoge Raad toejuich, lijd aan te weinig ruimdenkendheid en te veel bekrompenheid?

Ik geloof van niet.

De wapperende vlag van de vrije meningsuiting
Zo vind ik, ten eerste, dat een verbod op Martijn geen inbreuk betekent op de vrijheid van meningsuiting. Zoals HP/De Tijd-collega Johanna Geels op Joop.nl al aangaf, is pedofilie namelijk geen mening maar ‘een geaardheid waarvan praktisering in een samenleving niet gewenst is. Niet omdat ‘wij’ pedofilie afkeuren, maar omdat er een kwetsbare groep in het geding is. Kinderen dienen, net zoals de vrijheid van meningsuiting, te worden beschermd.’ Zeker zoals uitgedragen door Martijn is pedofilie inderdaad niet zomaar een mening: het gaat hier niet om een verzameling mensen die ‘gewoon’ hun problemen of worstelingen met hun pedofiele geaardheid willen bespreken, maar om een vereniging die, zoals de Hoge Raad oordeelde, pedofiele seksuele contacten met kinderen verheerlijkt en de schade die kinderen erdoor oplopen bagatelliseert.

Volgens Rob Wijnberg moet men zo’n ‘verwerpelijke opvatting’ toelaten omdat ‘alleen het aanvallen van de communis opinio, het doorbreken van geldende taboes, tot vooruitgang leidt.’ Hij maakt een vergelijking met stemrecht voor vrouwen en de evolutietheorie, twee opvattingen die ook ooit als verwerpelijk werden gezien, en concludeert: ‘Zeg ik daarmee dat het doorbreken van het taboe op seks met minderjarigen een vooruitgang zou betekenen? Geenszins. Maar de vrijheid inperken om het te kunnen, is hoe je het ook wendt of keert geen vooruitgang.’ Zo’n conclusie noemt men in Vlaanderen ‘zijn staart intrekken’: op basis van Wijnbergs opgebouwde vergelijking is de enige logische gevolgtrekking dat hij het doorbreken van het taboe op pedofilie wél vooruitgang vindt, maar omdat zo’n conclusie wellicht als te radicaal overkomt, wordt er een milder besluit gevormd.

De welriekende wind der progressiviteit
Wie wél heldere logica wil, moet zich wenden tot boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, waarin uitdrukkelijk staat dat een vereniging met een verboden doel verboden kan worden – en de Hoge Raad de grondrechten dus niet met voeten heeft getreden. Dan kunnen we natuurlijk weer gaan discussiëren of we pedofilie als een ‘verboden doel’ moeten zien, maar op dat vlak ben ik blij tegen de grenzen van mijn eigen ruimdenkendheid aan te lopen: te allen tijde de bescherming van kinderen vooropstellen vind ik vele malen belangrijker dan de wapperende vlag der vrijheid van meningsuiting waarmee sommige intellectuelen zo graag zwaaien wanneer ze menen dat ze daarmee een welriekende wind van progressiviteit over zichzelf kunnen laten waaien. Zo was ik behoorlijk teleurgesteld in de ruimdenkendheid van Rob Wijnberg – die ik als opiniemaker nochtans zeer respecteer – toen ik in zijn stuk ter verdediging van Martijn las dat indien hij zelf kinderen had, hij ‘ook met een boog om de club zou heenlopen’. Hoe standvastig is je ruimdenkende mening in dat geval?

Gidsland Nederland
In een opiniestuk in de Volkskrant schreven twee bestuursleden van Rutgers WPF, het kenniscentrum voor seksualiteit, dat een verbod op Martijn niets oplost. Dat is misschien waar, maar wat je als samenleving met zo’n verbod wél doet, is een duidelijk signaal geven: wanneer de meest kwetsbaren onder ons het doelwit zijn, moeten er grenzen worden getrokken. Sommigen zullen dat als een teken van bekrompenheid zien, maar ik vind het een teken van beschaving: onze rechtspraak moet zich afzetten tegen groeperingen als Martijn die seks met kinderen vanaf 12 jaar willen legaliseren, en zelfs beweren dat dergelijke contacten voor kinderen gunstig kunnen zijn.

In de jaren tachtig en begin jaren negentig was Martijn een bloeiende vereniging, met op haar hoogtepunt 650 leden. Politici namen hun gedachtegoed serieus, en in 1985 wilde toenmalig VVD-minister Frits Korthals Altes zelfs seks met jongeren vanaf 12 jaar legaliseren. Er was inderdaad een tijd dat men in gidsland Nederland alles toelaatbaar wilde maken, maar gelukkig zegeviert soms het gezond verstand. Op een aantal vlakken, zoals bijvoorbeeld tolerantie tegenover vreemdelingen, is Nederland inmiddels zijn status van gidsland verloren, en ik vraag me wel eens af of het feit dat bepaalde schrijvers en intellectuelen zo graag op de barricaden staan voor Martijn net met die verloren status te maken heeft: is het verdedigen van Martijn een van de laatste bastions waar men zich als ‘ruimdenkende en ultra-tolerante Nederlander’ nog in de etalage kan zetten? Laat me tot slot ook hardop deze vraag stellen: hoeveel van de mensen die een verbod op Martijn verwerpelijk vinden zouden de vlag van de vrijheid van meningsuiting hebben laten wapperen toen Wilders – die ikzelf, voor alle duidelijkheid, een man met verwerpelijke ideeën vind – het over ‘minder Marokkanen’ had?

Dinsdag heeft Vlaams Parlementsvoorzitter Jan Peumans namens het Vlaams Parlement excuses aangeboden aan de slachtoffers van historisch misbruik in de Vlaamse jeugd- en onderwijsinstellingen. Een ingekaderde brief met de excuses zal een zichtbare plaats krijgen in het Vlaamse halfrond. De bekende kinderpsychiater Peter Adriaenssens sprak van ‘een hoogdag voor de mensen- en kinderrechten’.

Dat is het ook, net zoals de correcte beslissing die, tot spijt van de tomeloze ruimdenkendheid van sommigen, de Hoge Raad in Nederland over Martijn heeft genomen.