De Hardloper

Nog een kilometer. Een kleine kilometer.

Minder dan 1/42e van wat is geweest.
Was deze marathon mijn leven, zat ik nu met een bingokaart voor me.
Ik heb eerder marathons gelopen, ik ben geen groentje, ik weet wat het is om je lichaam langzaam te vernietigen, pas voor pas, als een spijker die je met tienduizend kleine klopjes in een plank tikt.
Ik weet wat ik kan verwachten en toch sta ik er iedere keer weet van te kijken. Alsof het lichaam geen geheugen heeft, alsof de pijn eindeloos veel gedaantes kan aannemen om me te verschalken als ik er niet meer op bedacht ben.
Ook nu weer.

Ik ben een plastic zakje, gevuld met iets onnoemelijk zwaars
Ik voel me zo’n groene klodder slijm die kinderen op het plafond gooien en die dan met de grootste moeite weer naar beneden komt. Iedere stap ben ik een plakje groen slijm dat zich van de grond moet lostrekken, een stukje snot dat nog een kilometer moet.
Ik ben een paar kilometer geleden opgehouden met lopen, al kan ik niet meer precies terughalen wanneer het precies was. De gedachte aan iets terughalen is me al te veel.
De gedachte aan de gedachte aan iets terughalen net niet.

Ergens onderweg, bij dat ene weiland (of dat andere, of misschien in de buurt van dat tankstation, of was het een bedrijventerrein dat eruit zag als een tankstation?) voelde ik opeens dat ik geen benen meer had. Ik bedoel: ze waren er nog, ik kon ze zien, hoe ze met meterslange passen de weg voor mijn romp plaveiden en hoe ze glansden van het zweet en hoe de spieren als kleine geluidskabeltjes over mijn benen liepen, maar ik kon ze niet meer als benen ervaren. Lange, dunne dingen met schoenen eraan waren het, stengels die niet langer door een mens werden voortbewogen, maar ritmisch wuifden in de wind: eerst de een, dan de ander, het tikken van de pendule op oma’s dressoir.
Misschien, dacht ik nog, zijn mijn benen een soort perpetuum mobile en blijven ze langer lopen dan ikzelf. Kom ik straks aan de finish in Padova: mijn bovenlijf bewusteloos, mijn onderlijf nog fris als een hoentje.
Inmiddels weet ik beter.
Ik voel me het op de wind dansende plastic zakje uit American Beauty, maar dan gevuld met iets onnoemelijk zwaars.

Nog zevenhonderd meter.
Om mij heen wordt alles geel. Ze zeggen dat je waarnemingsvermogen scherper wordt bij grote vermoeidheid. Misschien is alles geel – en zie ik dat nu pas voor het eerst. Andere mogelijkheid: ik word steeds minder moe.
Dit is mijn lichaam niet meer.

Nog vijfhonderdzevenenveertig meter en een beetje.
Later zullen mensen vragen of ik pijn heb gehad. Ach, pijn, zal ik zeggen… Wat is pijn? Wie zich niet meer herinnert hoe het is om geen pijn te hebben, heeft niet echt pijn meer. Bovendien heb ik het gevoel dat ik het gevoel dat ik nu ervaar tekort doe met “pijn”. Het is iets veelomvattenders, een grotesk gevoel van niks.
Zo, denk ik, zo ongeveer moet een ravijn zich voelen.

Nog driehonderd meter en dan nog tachtig.
De huizen. De huizen van Padova. ‘Hallo Eliud,’ zeggen de huizen van Padova. Ze zijn roze en grijs en ze hebben ronde daken die wegrollen als knikkers over een aflopende vloer.
Af en toe hoor ik een geluid in slowmotion.
Alles wordt vertraagd afgespeeld, alleen mijn gedachten en mijn benen niet.

Nog 269,43 meter.
Als dit niet bijna is, dan is het toch in elk geval bijna bijna.
Heel vreemd: ik loop recht, maar de straat gaat schuin. Ik kan me nog net met m’n hand aan de reling vasthouden.
Reling? Hoe komt die reling hier?
Terwijl de aarde kolkt, blijven mijn benen recht – al vertekent het beeld vanuit mijn gezichtspunt een beetje.
Nog een bepaald aantal meter. Of kilometer, ik weet het niet.
Opeens naast me: een man op een varken dat eruit ziet als een fiets.
Ik kijk opzij – wat ben ik nog sterk.
BUUUUUUUUHHHHHHHWOOOOOOKOOOOEEEEEE, zegt de man.
Iemand valt. Ik ben het.

Een bordje. 200. Geen idee wat dat…
Vermoedelijk ben ik dood. Al beweeg ik nog, wat op het tegendeel zou kunnen…- nee, dit moet het zijn. De hel.
De hel is een marathon die voor altijd bijna is afgelopen.