Hafid Bouazza is geen romantische held

Gisterenavond stemde ik met een bijzondere reden af op Pauw & Witteman: schrijver Hafid Bouazza, altijd een van mijn literaire helden geweest, zou er komen praten over zijn nieuwe roman Meriswin, waarin hij verslag uitbrengt van het delirium dat hij kreeg als gevolg van zijn alcoholverslaving.

Toen de televisiecamera de gasten eerst van een afstand liet zien, vroeg ik me af of de schrijver misschien niet was komen opdagen – want was dat reusachtige, opgeblazen lichaam aan tafel werkelijk dat van Hafid Bouazza?

Ja, dus. De camera zoomde in, en het was wel degelijk Hafid – of toch een versie van de man die hij ooit was. Op Twitter regende het intussen reacties over zijn uiterlijk. “Speelt Hafid Bouazza de rol van Jerom in de nieuwe Suske en Wiske-film?” en “Heeft die Hafid Bouazza nu een opblaaspak aan?’ en ‘Hafid Bouazza doet een beer in bontjas na. Zonder bontjas.”

Leven met een onvervuld verlangen
Pijnlijk, des te meer toen Bouazza zelf een verklaring gaf voor zijn gewichtstoename, die het gevolg is van levercirrose na jarenlang drankmisbruik. Het dagelijkse drinkgelag van Bouazza bestond uit een fles absint en twintig biertjes, en, zo vertelde hij, als hij erin slaagde om af en toe één kroketje te eten, was dat al heel wat.

Ik kon inmiddels mijn ogen niet afhouden van het gigantische lijf van Hafid, dat elk moment leek te kunnen ontploffen. Jerommeke is dit niet, dacht ik, want die is sterk, maar dat is Hafid niet, want hij is ziek.

Dat gaf hij ook letterlijk toe: de kilo’s kwijtraken is niet mogelijk, want, zei hij, de gewichtstoename ‘hoort bij de ziekte’. Een verlangen om te genezen heeft hij evenwel niet: eerst prees hij de medische zorg en nazorg die in Nederland voorhanden is en die hem na zijn delirium werd toegediend, maar daarna bekende hij meteen, en zelfs met enige trots, dat hij nog steeds drinkt. Alcohol heeft hem bijna genekt, maar blijft niettemin zijn goede vriend, en een verklaring daarvoor gaf hij met de volgende zin: “Leven met een onvervuld verlangen is voor mij de moeite niet waard.” Het klinkt uiteraard heel poëtisch en romantisch, en op Twitter werd Bouazza door sommigen ‘een held’ en ‘dapper’ genoemd omdat hij op die manier in het leven staat.

Hoge sferen, hoge toppen
Ik heb gisterenavond hard mijn best gedaan om mijn literaire held ook een levensheld te vinden, maar het is mij niet gelukt. Blijkbaar koesteren veel mensen nog steeds het romantische beeld van de auteur die drinkt om zijn creativiteit te stimuleren. Het is een van de meest hardnekkige mythes rond het schrijverschap: dat hogere sferen bereiken in je hoofd je ook hogere toppen op het papier doet scheren. Schrijven, denkt men nog altijd graag, is pas écht wanneer het ook lijden betekent, en dus wordt schrijvers hun drankmisbruik vaker vergeven dan bij gewone stervelingen het geval is.

Verlaine, Hemingway, Faulkner (“I usually write at night. I always keep my whiskey within reach”), Capote, Fitzgerald (“Too much champagne is just right”), Bukowski: het publiek smult nog steeds van verhalen over hun dronkenschap, en er zijn zelfs websites met recepten voor hun favoriete drankjes, zoals Hemingways mojito of Kerouacs margarita. Over zes Amerikaanse schrijvers en hun alcoholverslaving heeft Olivia Laing het mooie boek The Trip to Echo Spring (2013) geschreven, en van de verhalen over de schade die ze zichzelf en anderen berokkenden, word je niet bepaald vrolijk.

‘Ik heb het toch maar mooi meegemaakt’
Ik vind niets romantisch aan schrijvers die koketteren met hun alcoholmisbruik. Ik zie schrijven als topsport, en drank ondermijnt daarbij zowel lichaam als geest – maar zoiets beweren klinkt natuurlijk minder spannend dan wanneer ik zou vertellen dat ik mijn nieuwe roman net heb afgerond met de fles whiskey binnen handbereik.

Toen Hafid nog niet aan de drank was, heeft hij literaire parels afgeleverd die elkaar bovendien in snel tempo opvolgden: De voeten van Abdullah (1996), Momo (1998), De slachting in Parijs (2001) en Paravion (2004). Vanaf dan ging de alcohol zijn leven beheersen en verscheen nog Spotvogel (2009), dat al heel wat minder goed onthaald werd.

Sindsdien bleef het vijf jaar stil: Hafid was bezig met absint en biertjes. Slechts een delirium dat hem aan de rand van de afgrond bracht, schudde hem even wakker en leverde hem na vijf jaar inactiviteit de inspiratie voor een nieuw boek op. “Ik heb het toch maar mooi meegemaakt,” zei Hafid over zijn delirium, “die onvoorziene verkenning.” Ja, dacht ik, en zijn familie en geliefden vast ook.

Het kan best dat Bouazza een sterke roman heeft geschreven over zijn delirium, al lees ik vandaag in De Standaard dat het boek ‘eerder een veeg dan een kleur’ nalaat. Het getuigt volgens de recensent wel van zijn meesterschap dat het toch nog ‘ontroert’ en ‘ontregelt’, maar dat het wachten blijft tot Bouazza ‘zijn niet geringe talent inzet voor iets groots’.

Bouazza heeft zelf blijkbaar geen probleem met zijn drankgebruik en pochte gisteren met zijn ‘talent voor drinken’, dus ik zou ook kunnen schrijven dat hij zo moedig is om gewoon toe te geven dat hij lekker aan de fles blijft. Maar moedig kan ik hem niet vinden. Als Meriswin de moeite waard is, zal dat niet dankzij maar ondanks de alcohol zijn, en ik zal me blijven afvragen wat voor moois hij de voorbije jaren had kunnen publiceren als hij zijn talent en tijd niet zo moedwillig had laten opslurpen door iets wat zo destructief is dat hij geen spotvogel maar wel een vogel voor de kat lijkt geworden.