Ode aan de ode, zoveel meer dan een lofzang

Vroeger was natuurlijk niet alles beter, het meeste niet zelfs, maar dat neemt niet weg dat de zegeningen van de vooruitgang wel degelijk hun keerzijde kennen. Terugkijkend op mijn vroege jeugd prijs ik mezelf gelukkig dat het entertainmentaanbod in de vorm van bewegende beelden op een scherm schaars was, zodat ik weet hoe mij te vermaken met, pak hem beet, een handvol stenen en een verlaten konijnenhol.

Sloeg de verveling onverhoopt toch toe, dan waren er altijd nog de moeder en het boek. De crèmewitleren bank, mijn broer en ik aan weerszijden van de vrouw die ons voedde, en zij maar voorlezen. Van de inhoud herinner ik me nauwelijks iets. De kinderbijbel had een knalgele kaft, maar wat erin stond weet ik niet. Het heeft me bij Triviant de nodige partjes gespeeld.

Hannes en Kaatje
Het enige wat mij enigszins helder voor de geest staat is een verhaal uit Hannes en Kaatje, wat is dat voor een praatje? Hannes en Kaatje waren een soort Jip en Janneke maar dan underground, of in ieder geval een stuk minder bekend. In voornoemd verhaal hield Hannes van de trein en Kaatje van de auto. Beiden staken een lofrede af over hun favoriete vervoermiddel, daar op de zandhopen achter hun huis. Odes waren het. Kinderlijk verteld en vermomd als twistgesprek, maar ódes.

Sindsdien heb ik vele odes gelezen. Odes aan komkommers en avocado’s, aan stadsduiven en rolluiken. Aan steden en landen, zangeressen, acteurs en opperwezens. Aan in onbruik geraakte spoorlijnen, verslavende computerspellen, uit de handel genomen ijslolly’s. Altijd even lovend, de liefde onvoorwaardelijk. Zelfs de evidente nadelen van het geprezene zijn onmisbaar geworden, verworden tot karakterbepalend en excentriek.

San Juan del Sur
Oh ode, stuk tekst van circa 500 woorden waarin vergezochte vergelijkingen over elkaar heen buitelen als sappige, rijpe tomaten, van een omvergestoten kraam gerold in een plaats met een naam als San Juan del Sur, tegen een achtergrond van een onvermijdelijk ondergaande zon.

Och ode, gij, die gemankeerd gebruik van het oud-Neederlandsch oogluikend toestaat. Waarin elke nieuwe alinea begint met een overbodige verzuchting. Geschreven om te delen en gedeeld zal je worden. Azijnpissers en rasjubelaars smelten samen in een bergmeer van nostalgische ja-knikkers, zich lavend aan gladgestreken herinneringen vol op tijd rijdende treinen en naar aardbeien riekende uitwerpselen.

Jij uitkomst voor hen die mooischrijverij niet machtig zijn, daar de lezer hen de kromme zinnen, de stijl- en taalfouten vergeeft, een vergevingsgezindheid voortkomend uit de gezamenlijke liefde, de gaten opvullend met eigen herinneringen die minstens net zo mooi zijn.

Keuls geurwater
Drieletterige lieveling die op ieders lippen ligt als de eerste klanken van Keuls geurwater, maar dan fonetisch en zeker niet op zijn Frans. Waarin te cryptische zinnen in ‘s lezers enthousiasme zonder mokken gulzig opgeslokt worden, want het is allemaal waar dus dat vast ook.

Oh verheerlijkend epos, waarin de weet-je-nogs en ik-herinner-mijs zich als achterstallig werk opstapelen. Kritiekloos als Bulletje in de jury van de Miniplaybackshow (weet je nog?), voorspelbaar als de romantische komedies met Hugh Grant (ik herinner mij) .

En dan, plotseling, eindigen met een alles overtreffende superlatief. Of beter nog, een levensles. Want laten we alsjeblieft de werkelijkheid niet uit het oog verliezen.