Een ode aan de uitstervende hangjongeren

Er was een periode in mijn leven dat ik veel op ‘het veldje’ te vinden was. Wat ik daar deed? Gewoon. Een beetje hangen. U weet wel.

Op warme zomeravonden wilden mijn vrienden toen we een jaar of veertien waren nog wel eens tegen een bal aantrappen. Een oudere jongen waar wij erg tegenop keken had op een avond wat biertjes meegenomen die hij na het potje ezelen (met kontje kick) uitdeelde. Ik mocht er ook eentje. Als je stoer wil zijn drink je die op. Het was de eerste keer dat ik dronk, het lauw geworden Heineken smaakte als bocht, maar ik voelde me stoer en rebels. Achteraf gezien was dit het moment waarop ik van een voetbaljochie veranderde in een hangjongere. Eentje die nog niet al te veel overlast gaf weliswaar.

Het werd kouder en de bal bleef steeds vaker in de fietstas zitten. Uiteindelijk was deze voornamelijk nog gevuld met bier, chips en sigaretten. Eerst meegepikt merkbier van onze ouders, toen dat begon op te vallen voornamelijk hangjongerenmerken als Schultenbraü en Schuttersbier. De eerste ‘actie’ was dat we onze lege flesjes in een jolige bui op het dak van de nabijgelegen sporthal wierpen. Die moesten we de volgende dag met een ladder weer ervan af halen. Het flesincident bleek een startsein voor een reeks incidenten, waaronder politieachtervolgingen vanwege opgevoerde scooters, handeltjes in illegaal vuurwerk en allerhande klein vandalisme. Ja, we gaven wel eens overlast. Er was bijvoorbeeld een steevast zeurende buurman die de politie altijd inschakelde. Maar bang waren we niet: het veldje kon nooit kapot!

Er was ook waardering voor ons jongens van het veldje. Mensen die hun hond uitlieten die steevast lachend een opmerking maakten ‘zitten jullie er weer’. Spelende kinderen die we zoveel zagen dat we een soort oudere broers waren. Ook waren er genoeg jongens die het thuis niet zo leuk hadden en op het veldje altijd terecht konden voor een praatje. Het veldje was een stabiele factor, de aanwezige jongeren vormden vast meubilair van het dorp, zoals in ieder winkelcentrum wel een clubje peuken rokende jongeren op een bankje te vinden is. Het is met name dat ‘hangen’, het pure niets doen, wat voor veel mensen fascinerend is. Hangjongeren vinden gezellig met elkaar niets doen zelfs zo leuk dat ze er iedere avond voor terugkomen, ook al moeten ze in de vrieskou zitten. Probeer zo’n avondje maar eens vol te houden.

Maar zoals ook de bakker en de slager verdwijnen uit het dorpsgezicht, is nu ook het begrip hangjongere tanend. Door harde aanpak en grote bemoeienis van de gemeente zijn overlastgevende groepjes jongeren op straat aan het verdwijnen, net als hinderlijke groepen en criminele jeugdgroepen. Uiteraard mooie cijfers voor minister Ivo Opstelten. Maar wat zal het akelig stil worden op de bankjes, veldjes en pleintjes.

De boze buurman heeft dus gewonnen. En wij maar denken dat het veldje nooit kapot kon.