Het mysterie Joe Dombrowski

Vorige zomer las ik in een Amerikaans wielertijdschrift een artikel over een nieuwe superrenner. Een jongen met een naam als een Bulgaarse agrariër en een gezicht zo glad als de bovenarmen van een pasgeboren baby. Met benen als stengels en een middel dat je met twee handen leek te kunnen omvatten. Het geheel deed meer denken aan een bleke IT-jongen bij een middelgroot postorderbedrijf in de Midwest dan aan de nieuwe Eddy Merckx.

Joe Dombrowski, aangenaam.
Ik had nog nooit van Joe Dombrowski gehoord, maar het artikel leerde me dat we hier te maken hadden met een soort Lance Armstrong, maar dan beter: vriendelijk, sociaal, bescheiden en uiteraard clean. De schrijver noemde Dombrowski een ‘Can’t-miss-wunderkind-on-wheels’, en hij had zich er tenslotte in verdiept.

Overeenkomsten met Armstrong
Joe Dombrowski was kort daarvoor gestopt als student aan de George Mason University om de top te halen als coureur. Dat was alvast een goed teken: wie bereid is de aangenaamheden van het studentenleven op te geven om zich dag in, dag uit af te beulen op een rijstwafel en een slok kraanwater, is in elk geval gek genoeg om coureur te worden. En de jongen die zijn zekere toekomst van een universitaire opleiding zomaar aan de kant schuift voor het zwarte gat van de ex-sporter, bezit de mentaliteit die we zoeken in een wunderkind-on-wheels.

De overeenkomsten tussen Dombrowski en de grote L.A.-die-niet-meer-genoemd-mag-worden waren treffend: Joe woonde in Nice, net als L.A., ooit. Hij trainde regelmatig op de Col de la Madone, het colletje net buiten de stad waar Armstrong en wonderdokter Michele F. de vorderingen van de eerste bijhielden.
In zijn boekenkast stond een boek over z’n nieuwe ploeg Team Sky onmiddellijk naast The Secret Race, Tyler Hamiltons bekentenisbiografie. Het oude en het nieuwe wielrennen raakten elkaar, in het voorjaar van 2013 in Nice.

‘En nu strippen!’
Hij reed nog maar kort bij Sky, dat hem op het spoor was gekomen toen hij de Baby Giro op zijn naam schreef. Toen reed hij nog voor de Livestrong-opleidingsploeg, de ploeg van… inderdaad. Bij Sky lustten ze na Wiggins en Froome nog wel een Engelstalig supertalent. In de winter van 2013 werd de broze Joe samen met Ian Boswell ontgroend door zijn nieuwe teamgenoten. Het jongetje tegenover de kerels. In een Londense pub werd een rijtje van verschillende soorten sterkedrank neergezet.
“Drink it,” riep sir Bradley.
En Joe dronk. Hij dronk zoals hij nog nooit gedronken had, zoals hij waarschijnlijk zelfs nooit gedronken had als hij op George Mason gebleven was.
Toen alle drank op was, tolde hij een beetje, hield zich in evenwicht aan een barkruk en voelde hoe er iets in zijn maag begon te branden.

“En nu strippen!” gilde Wiggins.
Boswell klom als eerste op de bar, en even later Joe ook.
Traag ontdeden ze zich van hun kledingstukken. Joe dreigde een paar keer te vallen, maar behield zijn evenwicht.
Toen hij helemaal piemelnaakt was, wees een van zijn ploeggenoten op Joe’s pols: afdoen!
Joe keek naar zijn pols, naar het geelrubberen Livestrong-bandje dat hij al zo lang droeg, dat stond voor zoveel meer dan de man die het ooit had grootgemaakt, en schudde van
nee.
Het kan niet meer, zeiden zijn nieuwe vrienden. Het moet af.
En het ging af.
Om nooit meer om te gaan.
Joe Dombrowski, de anti-wielrenner, was hard op weg naar iets waarvan we maar vaagjes konden vermoeden wat het was.

Geen Giro voor fysiologische parel
Joe Dombrowski werd in het artikel – dat dateert van vorige zomer – omschreven als een ‘fysiologische parel’. Een jongen die, mits goed begeleid, clean zou kunnen waar ieder ander chemische hulp voor nodig zou hebben.
Daarna werd het stil.
Heel stil.
Zo stil dat wielervolgers er onrustig van werden. Waar was het wunderkind gebleven?
Wanneer hij al op een startlijst stond, meldde hij zich een dag van tevoren af.
Van de fysiologische parel van een halfjaar geleden was plots niet veel meer over dan een waardeloze glazen knikker.
Morgen begint de Giro, de naam Dombrowski is in geen velden of wegen op de startlijst te vinden. Het ergste is dat dat niemand echt verbaast.