De Giro! Madonna, de Giro!

Vandaag gaat de Giro d’Italia van start. In Belfast, waarom ook niet – wij zijn tenslotte allemaal Italianen. En ergens in ons hart, tussen de pizza en het duister van een uitgestorven Venetië by night – heeft de Giro een plekje in ons hart.

De Giro, o man, de Giro… De Tour is een reusachtig pretpark waar je in tachtig achtbanen kunt en waar je kunt kiezen uit veertien fastfoodrestaurants (al moet je wel overal even in de rij staan), de Vuelta is een braderie op een zwoele avond in de nazomer: het lokale bandje maakt muziek, er is een ijscokraam, de lucht is verzadigd van de brandgeur van duizend barbecues en in de verte kondigt zich een rommelend onweer aan. Heerlijk, maar: geen Giro.
Verre van.

Bordjes “Centro Storico”
De Giro is een slaperig dorpje in Ligurie of Calabrie dat je na een dag lang zweten op de snelweg binnenrijdt via een buitenwijk waar de flats bijeengepropt staan als bloemen in een vaas en waar Afrikaanse reuzen met bloeddoorlopen ogen je niet per se onvriendelijk toezwijgen. Langzaam rijd je verder, je volgt de bordjes “centro storico” en probeert je reisgenoten te overtuigen van de authenticiteit van de smoezelige straathonden die de auto achtervolgen als een zwerm bijen een rijdende pot honing.
Dan, ter hoogte van een TL-verlichte Coop aan een verloederd verkeersplein, zijn de Centro Storico-bordjes op.
Je zult het aan iemand moeten vragen, iemand die er behulpzaam uitziet en ’s avonds laat nog een wandelingetje naar een gesloten Coop maakt.
Die iemand laat zich voorlopig niet zien, dus koers je zo traag als van de verkeersregels mag door de uitgestorven straten van het dorpje.
Achterin zegt iemand: ‘Op de plaatjes zag het er anders uit.’

Je zag jezelf zitten, aan een pizza met de omvang van een wagenwiel en, hup, daarna nog een emmer pasta alle vongole erachteraan, het is tenslotte maar een keer per kwartaal vakantie! Je zag het heel helder voor je, hoe een oogverblindende serveerster een kurkentrekker uit haar uitnodigend uitgestalde decolleté zou vissen en met een zwierig gebaar een fles van haar beste huiswijn zou openen. Je zou de enige toerist zijn, je zou met open armen ontvangen worden door de kogelronde eigenaar, die sinds 1979 geen buitenlander meer in zijn zaak had gehad en je zou niets hoeven betalen, als je maar bij de familie aan tafel zou aanschuiven en je de door oom Italo zelf gemaakte limoncello goed zou laten smaken. Aan het eind van de avond zou Grazia, de Bertolli-oma van het gezelschap je krachtig aan haar boezem drukken en je toefluisteren: ‘Trouw met mijn kleindochter.’ En je zou het verstaan, want je Italiaans was geen gestamelde mengelmoes van Frans, Latijn en een onbestaand Oost-Italiaans dialect meer, maar even vloeiend en welluidend als de glimmende, minuscule kereltjes die je op RaiUno altijd in de jury’s van talentenjachten ziet zitten

Zo zou het gaan.
Voorlopig is alleen de shoarmatent ‘Club Hollywood’ open. Op de ruit heeft een ontevreden klant met grote letters “cazzo” gegrafiti’d.
‘We zijn er zo,’ zeg je, terwijl je een smalle straat in stuurt die even later een eenrichtingstraat blijkt te zijn.
Boven je hangt het ondergoed van het hele dorp roerloos aan de lijnen die tussen de huizen zijn gespannen. Ergens ver daarboven verschijnt een grijs hoofd uit het raam.
‘Centro!’ roep je. Het hoofd gaat zachtjes heen en weer en verdwijnt dan weer.
Achter je staat intussen een bestelbusje op drie wielen. De chauffeur wil er langs, maar dat kan niet.
De chauffeur toetert en schreeuwt en wijst met een vuile vinger op zijn voorhoofd.
Steeds meer hoofden verschijnen nu. De situatie wordt twee meter boven je van live commentaar voorzien.
Het zweet stroomt je nu in kleine stroompjes over de rug.
Voor de zoveelste keer kijk je hopeloos in de achteruitkijkspiegel.
De bestuurder van de driewieler stapt uit en beent op je moegereden gezinsauto af.
Zelfs het elektrische raampje gaat aarzelend open.
‘Buona Sera,’ zeg je.
‘Dove vai,’ gromt de boer.
‘Centro,’ zeg je, de uiterste grenzen van je vocabulaire aftastend.
‘Aaaaaaaahhh! Centro!’ schreeuwt de boer. In zijn mond ontbreekt her en der het een en ander.
Boven je hoofd wordt opgelucht gelachen.
‘Andiamo! Andiamo!’ roept de boer en hij huppelt terug naar zijn driewieler, begint achteruit te rijden en gebaart je hem te volgen.

Een piazza met platanen
Een halfuur later parkeer je je auto op het dorpspiazza, een zeshoekig veld dat omzoomd wordt door kromgetrokken huizen waarvoor broze Italianen en Italianinnen de dood tegemoet babbelen.
Tussen de platanen krioelen de dorpskinderen: een paar draven schijnbaar doelloos achter een plastic bal aan, twee meisjes vlechten het haar van een derde en ertussendoor racet een simpel ogende jongen op een klein crossfietsje. In de hoek van het plein, achter de kinderzee, doemt een reusachtig terras op, waar een opgewekt geroezemoes vandaan gewaaid komt. Je nadert het terras, dat van een restaurant blijkt te zijn waar net een bruiloftsfeest zijn hoogtepunt nadert.
Iedereen straalt, en je weet zeker dat je nog nooit zoiets lekkers hebt geroken als de geur die uit de keuken komt.
Vier uur later lig je uitgeput in je B&B, aangeschoten en zeventig vrienden voor het leven rijker.

Dat, ongeveer, is de Giro. Maar dan net weer anders.