De spits die altijd lachte

New York, begin jaren zestig.
William D. Cox, miljardair en eigenaar van honkbalclub Philadelphia Phillies, verveelt zich. Hij wil iets nieuws organiseren. Iets waaraan hij plezier kan beleven.
Iets met voetbal.
Dat iets wordt de US International Soccer League. Vanaf 1960 haalt Cox tijdens de zomerstop van de net opgestarte Amerikaanse voetbalcompetitie Europese clubs naar de Verenigde Staten om ze een onderling toernooitje te laten voetballen in en om New York.
In de zomer van 1961 vraagt Cox de Tsjechoslowaakse legerploeg Dukla Praag overzee te komen spelen. Dukla is onder leiding van middenvelder Josef Masopust een van Europa’s beste voetbalclubs van dat moment. Maar de beste speler staat voorin en lacht altijd.
Zijn naam is Rudolf Kucera.

Kucera and his Boys
In New York verslaat Dukla het Engelse Everton tweemaal achtereen, onder leiding van een fenomenale Kucera, die in die twee wedstrijden alleen al vier doelpunten maakt.
Het publiek, dat vooral bestaat uit Tsjechoslowaakse immigranten, juicht om de jongen om wie het eenvoudig juichen is: Rudolf Kucera is a man to cheer for. Hij is technisch bijna volmaakt, scoort aan de lopende band, is aandoenlijk lui en zijn stijl heeft iets naïefs, als een groot kind dat tussen de grote mensen is verzeild geraakt. Zijn spel is als dat waarmee Johan Cruijff een decennium later de wereld mee zal betoveren.
In totaal zal Rudolf Kucera in die International Soccer League vijftien doelpunten in acht wedstrijden maken.
Wanneer The New York Times over Dukla schrijft, schrijft men ‘Kucera and his Boys’.
Het meest wezenlijke kenmerk van Rudolf Kucera is zijn bijna verdachte vrolijkheid: de wereld lijkt voor hem te bestaan uit een groot paleis van lachspiegels. Hij lacht het hele verblijf in New York aan een stuk door. 21 is hij, en dit is pas het begin.
Maar het lachen vergaat hem al gauw: de wereldkampioenschappen van 1962 (waarin de Tsjechen de finale halen) mist hij door een hardnekkige blessure. Wanneer hij terugkeert in het nationale team, een paar maanden na dat toernooi, wint Tsjechoslowakije in het Weense Praterstadion met 0-6 van Oostenrijk. Rudolf scoort twee doelpunten en bereidt de rest van de productie voor.
Het is een opmaat naar niets.

De elleboog van Stanislaw Oslizlo
Op 21 november 1963 speelt Dukla Praag in de Europacup 1 de terugwedstrijd tegen Gornik Gabraze. De eerste wedstrijd is met 2-0 verloren gegaan, maar in Praag loopt Dukla onder leiding van Kucera uit naar 4-1.
Met nog acht minuten te spelen zeilt een lange trap van de Dukla-doelman richting de eenzame spits.
Rudolf gaat omhoog, klaar om de bal te verlengen.
Naast hem verlaten ook de voeten van Stanislaw Oslizlo, een Poolse voorstopperstank, de grond.
Wanneer de bal hen bereikt, raakt Rudolfs hoofd de elleboog van Oslizlo.
‘Rudy’ gaat als een zandzak naar de grond.
Bij het neerkomen is hij al buiten westen.

De volgende ochtend wordt Dukla’s sterspeler niet onmiddellijk wakker. Wanneer dat uiteindelijk toch gebeurt, is zijn voetballoopbaan ten einde. De elleboog van een Poolse sloper hebben zijn dribbels en doelpunten voorgoed gestopt.
De bloedingen in zijn hersenen zijn te stelpen, maar voetballen zit er niet meer in, hoezeer hij ook probeert: Rudolf Kucera tracht nog een jaar lang op ieder mogelijk niveau te voetballen. Maar op welk niveau je ook voetbalt: wie wil spelen, moet in een rechte lijn van A naar B kunnen lopen.
Dat kan Kucera niet meer.
Zijn loopbaan is vastgelopen als een bolderkar in rul zand.

Na het droeve einde van zijn voetbalcarrière werd Rudolf Kucera garagehouder. Ook onderhield hij jarenlang een tenniscomplex in het centrum van Praag.
Uiteindelijk werd hij taxichauffeur – in de auto lukte het houden van een rechte lijn hem nog wel.

Toen een journalist hem eens vroeg welke gevoelens voetbal bij hem opriep, antwoorde Rudolf Kucera: ‘Het was fijn als ik goed speelde en het was jammer als ik dat niet deed. Dat was het.’
Nog altijd slaat hij geen thuiswedstrijd van Dukla over. De opgewekte glimlach is er een van melancholie geworden.

PS
De legendarische Tsjechische sportjournalist Ota Pavel schreef een kortverhaal over een Praagse taxichauffeur die een Amerikaanse toerist van de luchthaven haalt, waarna die chauffeur hem een hele rit lang de oren van het hoofd kletst over een jonge Dukla-spits die hij ooit in New York bezig zag.
De taxichauffeur zucht. Hij weet niet over wie het gaat.

Bron
Michael Petrak,, ‘The Recluctant Cabbie’. In: The Blizzard – The Football Quarterly (Issue 10)