Zo gevaarlijk en claustrofobisch is het diep onder de grond in een mijn

Bij een mijnongeluk in Turkije zijn zeker 200 doden gevallen. Tientallen mijnwerkers raakten gewond, honderden zitten er as we speak nog vast onder de grond.

Ik las het nieuwsbericht en dacht meteen terug aan mijn reis door Bolivia: in de zuidelijke stad Potosí ging ik als toerist de diepte van de zilvermijnen in. Een gevaarlijke toeristische attractie. Ik vond de twee uur ondergronds bivakkeren al behoorlijk claustrofobisch en kan mij geen voorstelling maken van hoe eng het moet zijn er echt vast te komen zitten. Reis mee down under in de zilvermijn van Potosí…

Uitkijken verdorie!
“Guarda! Opzij amigos, nú!” De overvolle mijnkar dendert over de rails diep onder de grond in de zilvermijnen van Potosí. Het groepje toeristen zoekt dekking tegen de muur en de kar rijdt bijna over tenen en langs knieën. “Ik heb jullie gewaarschuwd,” schreeuwt gids  José, zelf ex-mijnwerker. “Jullie avonturiers hebben er zelf mee ingestemd om vier levels diep te gaan.” Ik baan me een weg door het water en volg de rails. Hoe dieper we de mijn in lopen, hoe benauwder het wordt.

Hoogteziekte doet braken
De stad Potosí ligt op 4090 meter boven zeeniveau. De lucht is ijl en het zuurstoftekort bezorgt je bonkende hoofdpijn en hartkloppingen. Net als de mijnwerkers stoppen wij onze wangen vol met cocabladeren. Zij tegen de honger en als oppepper om vierentwintig uur op de been te blijven, wij toeristen tegen de symptomen van hoogteziekte en zuurstoftekort. Bukkend en kruipend langs uitstekende rotsen en elektriciteitsdraden bewegen we ons voort door de stikdonkere, muffe, nauwe gangen. Je moet geen last van claustrofobie hebben, dat moge duidelijk zijn.

Dagje zilvermijn
De enige lichtbron zijn de hoofdlampen op de veiligheidshelmen. Een grote batterij bungelt achter op mijn rug aan een leren riem. Jonge mijnwerkers, zwetend, hun wangen propvol cocabladeren, groeten José. Elke dag weer zien de mannen nieuwsgierige backpackers. De zilvermijn is de grootste toeristische attractie in Potosí. De hele zilvervloot van Piet Hein komt uit deze mijn, heb ik me laten vertellen Alle hostels en tour agency’s in de oude stad bieden een ‘dagje zilvermijn’ aan.

Cocawangen
Ondanks de waarschuwingen van de reisgidsen: levensgevaarlijk vanwege instortingsgevaar, vallende stenen, wegrollende karren, kortom, een angstaanjagende nachtmerrie. Gids José heeft een pittig wandeltempo en wacht het groepje, duidelijk in ademnood, op bij een aardedonker gat. Eerst verschijnt daarin een fel licht en vervolgens klimt er een jonge mijnwerker uit, niet ouder dan vijftien jaar. “Hola niño,” lacht José. Met een cocawang alsof hij de bof heeft, knikt hij naar ons.

Krakkemikkige houten trappen
“Dat gat? Daar gaan wij toch zeker niet in?” piepen de twee Engelse meisjes. “Vamos, amigos?” Mijn handpalmen zijn nat van de zenuwen. Ergens in dit stikdonkere gat moet een trap zijn, maar waar? José gaat eerst. Een voet tegen de rots, vasthoudend aan touwen, en ineens is daar een krakkemikkige, houten trap. De Engelse meisjes durven niet en keren terug. Een verdieping lager is het aardedonker, een stuk warmer, benauwder en stoffiger. De geur van dynamiet maakt ademen nog moeilijker.

Rugzak vol dynamiet 
We klimmen nog twee verdiepingen verder omlaag. Overal mijnwerkers, jonge jongens, die nat van het zweet, hakken met pikhouwelen. Het is zo’n vijfendertig graden. Ongelooflijk dat mensen in deze duivelse zilverberg, ook wel de hel van Potosí genoemd, dag in dag uit werken voor omgerekend tien euro per dag. Mijn rugtas zit vol met op de plaatselijke markt gekochte cadeaus: mierzoete frisdrank, zakken vol cocabladeren, staven dynamiet, twee flessen koffielikeur en pakjes sigaretten. De mannen weten dat de toeristen cadeaus meebrengen.

De piemel van El Tio
Samen drinken we de koffielikeur. De combinatie van alcohol en de oppeppende cocabladeren onderdrukken mijn angst. Bovendien: ik ben al anderhalf  uur onder de grond en ik leef nog. Bij de uitgang staat een stenen beeld met duivelshoornen en een grote rechtopstaande piemel. Het is ‘El Tio’, de beschermheer van de mijn. De gids eindigt met een ritueel: de nog duidelijk geshockeerde toeristen krijgen een slok, 96% alcohol en wensen, allemaal in hun eigen taal, de mijnwerkers veiligheid, geluk en kracht.

Zo ga je op zilvermijn tour
Waar?
Bolivia, bij de zuidelijke mijnstad Potosí (op de werelderfgoedlijst van Unesco)
Hoe?
Via elk hostel en tour agency in Potosí kun je boeken.
Tijd?
De tour duurt een halve dag. Begin vroeg in de ochtend met een bezoek aan de miners’ street market, waar je cocabladeren en andere cadeautjes voor de mijnwerkers kunt kopen.
Kosten?
Zo’n 10 euro (90 bolivianos)
Kleding?
De afdaling is inclusief waterdichte jas, aangemeten broek, kaplaarzen, veiligheidshelm, lamp met batterij, veiligheidsriem en stevige rugzak. Neem wel een extra trui mee. De temperatuursverschillen tussen boven en beneden zijn erg groot.
Doen?
Bekijk van tevoren de bekroonde documentaire El diablo del minero over de mijnen van Potosí (zie trailer hieronder).
Handig?
Pillen meenemen tegen hoogteziekte, en eerst een paar dagen acclimatiseren.

Volg de avonturen van reisjournalist Iris Hannema (1985) op Twitter: @irishannema. Als excusieve knuffelblogger van National Geographic reist zij als Digital Nomad de wereld over. Haar rauwe, geestige reisavonturen zijn te lezen in ‘Miss yellow hair, hello!’ (De Arbeiderspers).