KIEFT

Wim Kieft zag er al langer uit als een man die wel eens gestreken mag worden. Dat hij al die tijd niet van de coke en de drank kon afblijven, weet ik pas sinds kort. Gisteren, bij De Wereld Draait Door, vertelde hij zijn verhaal, want er was een boek.

Wim Kieft droeg een spijkerblouse. Het eeuwig blonde haar hing als sprietjes stro over zijn voorhoofd en als je goed keek, kon je in zijn ogen de lichtjes zien branden van de ironie van iemand die het allemaal niet zo serieus neemt.

Een junk
‘Je was – nogal heftig – verslaafd aan cocaïne en drank,’ zei Van Nieuwkerk. Hij boog steeds verder voorover.
‘Jaaaaaa,’ begon Wim Kieft, alsof hij een mooi moment uit RKC – Roda ging relativeren, ‘er bestaat niet zoiets als heftig of niet heftig. Je bent verslaafd.’
Terwijl het gesprek z’n weg vervolgde richting liters witte wijn, met pistolen wapperende dealers (‘moeten ook betaald worden’) en de Narcotics Anonymous (‘Ze sharen. En er gebeurt iets met meditatie’), hoorde ik vooral het nasale Amsterdams, een accent dat is gemaakt om met afstand naar de wereld te kijken. Af en toe werd het afgewisseld door het onderkoelde Haags van biograaf Michel van Egmond, die vertelde over Kiefts verhaal en ‘de bak ellende’ die hij over zich uitgestort had gekregen.
Wim Kieft keek lachend in de verte. Je zag hem denken: ik moet dit zo even in perspectief plaatsen, niet vergeten de ellende te relativeren. Het kan immers altijd erger.
De verwoesting viel echter niet meer stuk te relativeren. Wie zichzelf in achttien jaar van de top van de Olympus tot de vochtigste kelders van de onderwereld heeft gesnoven, kan wel een ochtendje meditatie gebruiken.

De beelden die bleven hangen: Wim Kieft, met een capuchon op, bij de nazorgkliniek. Angst om naar binnen te lopen, vrees om Wim Kieft te zijn. Of: Kieft, alleen op een hotelkamer, met een paar flessen goedkope witte wijn om zich heen. De ene lijn na de andere, als iemand die ook als verslaafde de absolute top wil bereiken. Wim Kieft, in de bosjes. Het regent, en om hem heen ontrolt zich een leven waaraan hij niet meer kan deelnemen.
Wim Kieft, een junk.
‘Het wordt allemaal wel zwaar,’ lachte hij gisteren, toen hij vertelde dat hij na de dood van zijn vader vreesde voor een terugval en niet veel later de kliniek uit vluchtte.

Glinstering
Tot slot nam Prem Radhakishun het woord. Hij droeg een virtuele gele trui en sprak vijf keer zachter dan normaal. Hij leek geëmotioneerd.
(Nu is Prem vrij snel geëmotioneerd. Een vuil koffiekopje maakt hem al een week van slag).
Hij had het over die keer dat hij Kieft had zien voetballen in Suriname, en hoeveel plezier Kieft Nederland had geschonken met zijn kopbal tegen Ierland – ’s werelds Mooiste Lelijke Doelpunt Ooit.
Uit alle woorden van Prem sprak medelijden. Deernis.
Wim Kieft keek hem aan en zweeg. Hij relativeerde even niet meer, voor een keer zei hij niet ‘Maar weet je wat het is, Prem?’, om de boel daarna in perspectief te plaatsen.
Er was even geen perspectief meer over.
Wie goed in Wim Kiefts ogen keek, zag dat er toch nog wel wat ironie over was. Het glinsterde in het studiolicht.