Sorry, maar ik genoot van de Stelvio

Er waren sneeuwmuren die groeiden als klimop in vochtig weer. Eerst lag er nog af en toe een witte plak tussen de Stelviorotsen, later werden die plakken manshoog en tenslotte waren het reusachtige bevroren golven die ieder moment over de koplopers konden kolken.

Af en toe toonde de regisseur van de Italiaanse televisie een beeld vanuit de verte.
Tussen mistflarden bewogen zich kleine stipjes voort.
De koplampen van de volgauto’s werden aangezet, waardoor de flanken van de Stelvio iets spookachtigs kregen.
En de sneeuwmuren stegen maar, honderd meter hoog.
Het sneeuwde op de maan.
Een oude Bask draafde mee naast de koploper, een Italiaan die Cataldo heette en die vlokjes in zijn baard had. De Bask had een dikke buik die hij in een oranje Euskaltel-truitje gewurmd had.
Op zijn baret lag een laagje sneeuw.
De Italiaanse belofte Fabio Aru kwam in beeld. Hij rilde, alle kolen die hij in zijn lijf had om zich warm te stoken waren op en nu was hij gedoemd hier, vlak onder de top van de Stelvio, aan zijn fiets vast te vriezen en te sterven.
Hij keek alsof hij vrede had met die situatie.
‘Ze koersen zich warm,’ mompelde Schotte.
‘Het is van moeten,’ huiverde De Cauwer.
Daarna zwegen ze een volle minuut. Het enige wat hoorbaar was, was het geklik van de chrono van Andre Meganck.

Terug in de tijd
De beelden werden langzaam korrelig en grijs, het vocht dat in de camera’s was gekropen deed vermoeden dat de renners bezig waren terug in de tijd te klimmen. Dit waren de jaren tachtig, Cataldo was Van der Velde en op de top zouden ze Coppi ontmoeten.
‘Ooit kwam Bernadeau hier als eerste boven,’ zei Renaat Schotte, gewoon, om ook maar iets te zeggen. Dat heb je soms, dat je weet dat er iets gezegd moet worden en dat de juiste woorden maar niet komen. ‘Hij begon een pizzeria. Die heette Stelvio.’
‘Echt?,’ vroeg José de Cauwer, maar vermoedelijk wist hij het al – want José de Cauwer weet zoals bekend bijna alles, en wat hij niet weet, laat hij opzoeken.

Kort voor de top werd bekend dat de afdaling geneutraliseerd zou worden. Daarmee werd in feite besloten dat er voor die dag uitsluitend nog geklommen zou worden.
Op de top stond een hotel, en een handjevol dwaze supporters.
De Fransman Geniez begon met grote zorg een windjack dicht te knopen en de Colombiaan Anacona deed alle zaterdagse bijlagen van La Repubblica onder zijn shirt.
Daarna stortten ze zich in de mistige soep onder hen.

Halverwege de afdaling werd duidelijk dat er van die neutralisatie niets terecht zou komen. Ergens reed een motor met een rode vlag, maar daar trok niemand zich iets van aan.

Een stenen mannetje bij de vijver
De opwinding steeg en het weer klaarde op. Toen de renners door het Marteltal (goede naam) reden, brak er zowaar een zonnetje door.
‘Het begint te schaduwen,’ dichtte José de Cauwer.
Het peloton was intussen uit elkaar geslagen als een piñata. Niet door de bergen, niet door omvallende sneeuwwanden of achtervolgende ijsberen, en zelfs niet door glijpartijen richting ravijn.
Het was een aarzelende organisatie die de koers een richting op had geduwd die niemand voor mogelijk had gehouden.
En zo sprak na afloop van een onvoorstelbare dag niemand over Nairo Quintana, die kuchte op het podium, zich in het roze liet hijsen door twee podiumreuzinnen en die lachte als de stenen mannetjes die je bij je vijver kunt zetten. Alleen de kruiwagen ontbrak.
Niemand sprak ook over Wilco Kelderman, die het onvermoede presteerde en wegreed van de rest.
Niemand sprak over Thomas Dekker, die ergens in de verre achtergrond van het profpeloton is verzeild geraakt en opgaf zonder dat er iemand om leek te malen.

Men sprak over de kou, over het gevaar, over amateurisme en over oud en nieuw wielrennen. Er werd gepraat met en over Patrick Lefevre, de man met de betrouwbaarheid van een tweedehandsautoverkoper die aan de deur komt om uw tuin winterklaar te maken en die zei dat hij de Giro ging aanklagen. Ik geef hem een goeie kans: het zijn vaak zij die de wet wel eens willen overtreden die weten wanneer zij in hun recht staan.
Renners twitterden hun ongenoegen.
Journalisten twitterden dat renners hun ongenoegen twitterden.
Ik had genoten, maar kennelijk was ik de enige.
Sorry.