Thé Lau en zijn gebruiksaanwijzing voor het sterven

Tijdens de zomermaanden schrijft Ann De Craemer wekelijks iemand een brief. Dat kan een bekende Nederlander of wereldburger zijn, maar ook een onbekende en toevallige passant die een indruk achterliet. Deze week: Thé Lau.

Beste Thé Lau,

Voor alles in dit leven is er een gebruiksaanwijzing. De stofzuiger. De iPod wanneer hij het niet meer doet (‘houd de menuknop en de selectieknop ongeveer 6 tot 8 seconden ingedrukt’). De grasmaaier. De bloeddrukmeter. Er zijn zelfs, omgetoverd tot zelfhulpboeken, gebruiksaanwijzingen voor de liefde: hoe iemand te veroveren, wat te doen als de sleur zich in je relatie nestelt, en welke lijm te gebruiken bij een gebroken hart.

Het enige waarvoor geen duidelijke gebruiksaanwijzing bestaat, is de dood. Hoe doe je dat, sterven? Niemand kan het ons navertellen, dus is er ook niemand die het weet. Dat maakt van doodgaan het werkwoord dat de allereenzaamste ‘bezigheid’ uit ons leven beschrijft: bij de geboorte krijgen we letterlijk een duw van onze moeder, maar de tocht over de Styx moeten we helemaal alleen maken.

Dat geldt, beste Thé Lau, helaas ook voor jou, die al maanden weet dat de veerman staat te wachten om je naar de overkant te brengen. Toch ben jij degene die, terwijl je op podia in de Lage Landen de pannen van het dak speelt, een gebruiksaanwijzing voor het sterven hebt geschreven, die ik, als het ooit zover is, beslist zal consulteren.

“Ik ben de afgelopen tijd behoorlijk ziek geweest, maar ik sta hier nadrukkelijk niet als een patiënt,” zei je zaterdag op Pinkpop. Het vat je hele houding tegenover de dood samen: je antwoordt met een opgestoken middelvinger, door gewoon te léven. Kijk eens, zeg je tegen de veerman, wat ik nog allemaal kan – en hoewel Charon zijn boot steeds dichter naar je oever stuurt, houdt dat je niet tegen om te doen wat je wil doen.

Natuurlijk: de mensen die luidkeels met je meezongen op Pinkpop, en degenen die dat zullen doen tijdens je afscheidstournee, houden van je muziek en van de poëzie die in al je teksten schuilt. Maar er is méér aan de hand dan liefde voor je muziek. Er is ook bewondering voor de manier waarop jij je voorbereidt op de dood – door dat namelijk net niet te doen. Geen mens die niet de angst in zich draagt dat hij op een dag te horen krijgt wat jou werd verteld: dat de dagen zich niet langer als een weidse vlakte voor je uitstrekken, maar integendeel je strot steeds harder zullen dichtknijpen – in jouw geval zelfs letterlijk. De paniek waartoe zo’n mededeling leidt, heb jij omgesmolten tot een laatste gulzige lofzang op het leven.

Daar ben ik je dankbaar voor. Als ook ik ooit zou weten dat mijn dagen geteld zijn, zal ik jouw gebruiksaanwijzing ter hand nemen, en zal ik blijven schrijven tot ik er, letterlijk, bij neerval.

Een paar dagen voor mijn grootmoeder stierf, leek ze plots weer haar oude zelf: ze praatte honderduit, zong liedjes en lachte. Zoiets gebeurt vaak, vertelde een verpleegster me: wanneer het einde nadert, beleven mensen meestal een laatste opflakkering. Bijna altijd, zei ze, krijgen ze op die momenten ook meer kleur op hun wangen en herwinnen hun ogen hun oude glans, zoals bloemen vaak het mooist zijn net voor ze zijn uitgebloeid. Beslist resten jou nog meer dan een paar dagen, maar ook bij jou zie ik die glans in je ogen. “Pak me maar, als je kan,” zeg je tegen de dood – maar nu nog niet.

“Aftellen heeft geen zin. Ik leef met de dag en neem de dingen zoals ze komen,” zei je in een interview. Het deed me denken aan deze verzen van de Portugese dichter Fernando Pessoa:

Leg al wat je bent
In ’t minste wat je doet.
Zo blinkt de maan in ieder meer geheel
Wijl zij verheven leeft.

Jij legt zélfs in je afscheid alles wat je bent, en de maan boven de Styx zal er beslist meer door blinken, en de zon die jij dan vaarwel zal hebben gezegd, zal de lege plek die jij zo dapper hebt achtergelaten, nog lang verlichten.

Met warme groet,

Ann De Craemer