Luis Suárez: briljant rommelig

Gisteren gaf ik Luis Suárez-voorlichting op de radio. Ik vertelde over Uruguay – Engeland en hoe bijzonder dat was omdat Suárez dus Uruguayaan IS en in Engeland SPEELT. (het is een radiozender voor een breed publiek).

Ik vertelde dat ik me zorgen maakte om zijn fitheid, dat hij nog maar pas was geopereerd en dat het me sterk leek dat hij nu alweer helemaal hersteld zou zijn. Tot slot memoreerde ik – voor de voetbalnitwits – dat Suárez ook nog een tijdje in Nederland had gespeeld. Bij Ajax, en – dat wisten alleen de echte kenners nog – bij FC Groningen.
En toen gebeurde het. Voor ik er erg in had, was het me ontsnapt, als een boertje dat je best kunt inhouden.
‘Ik vond Suárez lang een beetje een rommelige voetballer.’

Rommelig
De rest van het gesprek verliep uitstekend, maar het kwaad was geschied. Ik vond Luis Suárez geen rommelige voetballer, tenminste: dat dacht ik, want zeker wist ik niets meer.
Ik weet niet eens wat dat betekent, ‘een rommelige voetballer’. Het moest een moment van kortstondige afasie zijn geweest: na “Suárez een beetje een” wist ik dat er een adjectief moest komen – dat zijn nu eenmaal de keiharde wetten van de grammatica, een soort topsport, maar dan voor columnisten – en er kwam niets.
Ja, rommelig.

Kan een van de beste voetballers ter wereld ooit rommelig ogen, zelfs op z’n meest rommelige momenten? Strooit hij soms met kruimeltjes tijdens de wedstrijd?
Wat is rommelig überhaupt? Wat betekent dat?
Is mijn bureau rommelig?
Mijn administratie? Kapsel?
Ben ik zelf misschien een rommelige voetballer? Ik heb mezelf nooit zien spelen, maar ik vermoed dat het er tamelijk rommelig uitziet. Voor zover voetballen er rommelig uit kan zien, natuurlijk.
En zo ja: is dat erg? Is ‘rommelig’ een negatief begrip? Heeft het meer met chaos of met anarchie te maken?
En hoe had ik het bedoeld?
Raar woord eigenlijk, rommelig. Een rommelig woord.
Toen ik de studio uitliep, gaf de samensteller me een hand en zei: ‘Hartstikke leuk, al waren we het hier niet eens met je omschrijving van Suárez.’
Ik: ‘Jullie vinden hem niet rommelig?’. Beetje bluffen.
Samensteller: ‘Nee.’
Ik: ‘Ook niet toen ie bij Ajax speelde?’
Samensteller: ‘Toen was hij al een van de beste spelers van de wereld.’
Kennelijk kon je niet een van de beste spelers ter wereld worden als je een rommelige voetballer was. Dat had ik al gevreesd.

In de trein naar huis was het een rommeltje in mijn hoofd.
Rommel, dacht ik, rommeltje, rommelen, rommelig, rommeldebommel.
Soms bel ik mijn moeder.
‘Wat heb je vandaag gedaan?’ vraag ik dan.
Soms antwoordt ze: ‘Beetje gerommeld.’
Zelden of nooit betekent dat dat ze drie doelpunten tegen Everton heeft gemaakt.
De rest van de dag beheerste de vraag welk woord ik had willen gebruiken mijn gedachten.
Slordig? Romig? Kommervol? Briljant?

Briljant rommelig
’s Avonds speelde Suárez tegen Engeland.
Hij was de beste speler van het veld. De leider, de man die van een dolend elftal plots weer een vastberaden knokploeg had weten te maken. Hij maakte twee doelpunten, de een nog vernuftiger dan de twee.
Het was de beste wedstrijd van een individuele speler dit WK (Pirlo uitgezonderd. Pirlo speelt in een andere league. Als Suárez de beste is, is Pirlo beter, als u begrijpt wat ik bedoel. Ikzelf begrijp het overigens nauwelijks).
Fantastisch, dacht ik. Wat speelt hij geweldig, wat is hij ontzettend vreselijk, bijna ontroerend goed.
En toch: ook rommelig.
Briljant rommelig.