Cristiano Ronaldo moet oudroesten

We waren een avondje de deur uit, omdat we ons dat nu eenmaal hadden voorgenomen. Traag liepen we door de stad, onder onze stappen verkruimelde de tijd.

We bewandelden de straten die we al lang niet meer bewandeld hadden, passeerden een Turks theehuis waar we ooit onze verkering bekrachtigden en dat zijn bladderende charme intussen had verruild voor een handvol leren fauteuils en een gokapparaat met een lang voor de rede verloren oude Turk ervoor en hielden uiteindelijk halt voor een gelige pizzeria die er in onze herinnering ‘eerst nog niet zat’ en inspecteerden de menukaart.
‘Niet duur,’ zei zij.
‘Ook niet echt niet-duur,’ zei ik.
‘Dat is met veel restaurants,’ zei zij en daarop zwegen we een tijdje, want we wisten allebei dat deze conversatie ons leven steeds opnieuw ongemerkt en in allerlei gedaanten ons leven binnentreedt, als een faalangstige het examenlokaal.

Afwisselende stad
We liepen verder. Sommige straten waren breed, andere waren weer smaller. Wat leefden we toch in een afwisselende stad. We stonden een tijdje bij een opgebroken stuk straatweg te kijken, de bakstenen lagen her en der verspreid over het geschonden asfalt, alsof een reus hoog boven ons een pakje stenen had laten vallen.
De zon scheen, het zag er niet naar uit dat deze weg ooit nog open zou gaan voor verkeer.
‘Ze zijn overal altijd maar aan het werk,’ mompelde zij.
‘Altijd,’ zei ik en voort gingen we weer, want ook onze verwondering over de talloosheid van schier eindeloze werkzaamheden hebben we al meer dan eens met elkaar gedeeld.

Af en toe hielden we halt bij iets bezienswaardigs. Een pleintje dat we niet kenden, een houten ooievaar in een voortuin, een uitzinnig grote hondendrol.
Zij dacht dat het er twee waren die tot een hoop waren samengesmolten, ik dacht van niet.
In de buurt van ons huis, langs de gracht waar moegewinkeld publiek aan massieve ijsjes likte, hing een groepje matte Zuid-Europeanen op de trappen die werktuiglijk van Turkse pizza’s hapten.
‘Kijk toch,’ zei zij.
‘Nou,’ antwoordde ik, en we vervolgden onze weg verder, op weg naar, uiteindelijk, bed.
Het was het soort avond dat zich nergens anders voor leende dan heel traag te laten wegdrijven, als een papieren bootje op de Vecht.
We passeerden een bioscoop met een bijna geheel werkende lichtreclame.
‘Zullen we?’ vroeg ik.
‘Naar de film?’ vroeg zij.
We zouden.

Het was een verhaal waarin alle personages teder, liefdevol en rustgevend bleken. De film was kalm en van voorbijgaande aard. Zelfs de muizen in de bioscoopzaal gingen er trager van trippelen.

Een lekke Brazuca-bal
Toen we thuis kwamen, was het al vrijdag.
‘Moet je nu nog het WK kijken?’ vroeg zij.
Ik heb haar uitgelegd dat er 24 uur per dag WK te kijken valt. Het WK houdt immers niet op als de scheidsrechter affluit.
Maar ik wilde geen WK kijken, ik wilde naar bed en mijn eigen boek lezen en dan de hele tijd geluidjes van blije verrassing maken.
Toen ik de sleutel in het slot stak, zei zij, op de toon waarop ze aankondigt dat ze vergeten is of ze het gas heeft uitgedaan, vaak net als de Thalys echt vaart begint te maken: ‘Had jij het licht aangelaten?’

Nee, dat had ik niet.
Zij ook niet, bezwoer ze, met haar hand op haar mond.
Op de keukentafel stond een half aangegeten maaltijdsalade.
‘Blauwe kaas met appel en noten,’ zei zij.
‘Een blikje Hollandia-bier,’ zei ik.
‘Wie heeft er van mijn bordje gegeten,’ zei zij, want ook in noodsituaties kennen wij onze klassiekers.
Juist toen ik in een gat van totale paranoia wilde vallen, zei zij: ‘Een briefje.’
Het bleek een tekst op de achterzijde van een nog niet geopende envelop van de energiemaatschappij. Dit stond er: ‘Hallo, dank jullie wel voor de sla en het bier. Ik zag dat jullie ook sinaasappels hebben. Ik lust morgen wel een sapje. Nu oudroesten. X P.S. Sssttttt.’

Zij was de eerste die hem aantrof. Schuin uitgevouwen over ons tweepersoons-Ikeabed, als een slordig neergeworpen jurk.
Cristiano Ronaldo.
Hij had zijn Portugese tenue nog aan. Zijn hoofd rustte op een lekke Brazuca-bal.
‘Wat een raar haar,’ zei zij.
‘Dat is in,’ zei ik.
‘Ssttt,’ zei zij.

Croissantjes
Nu liggen wij op de bank in de woonkamer, te wachten tot we gestommel horen in de andere ruimte. Zij heeft croissantjes gekocht, ik heb alles zo zachtjes mogelijk aan kant gemaakt. We moeten eigenlijk naar ons werk, naar het leven dat zich buiten afspeelt, maar we kunnen niet weg. Eerst moet Cristiano een beetje oudgeroest zijn.