Over loombandjes en moeilijk verenigbare idealen

Ik ben een sucker voor dingen die mensen verbinden. Alleen daarom – en niet omdat ik van voetbal houd – zou ik een lofrede kunnen schrijven op het WK. En zou ik een lofrede kunnen schrijven op loombandjes. Er is één probleem.

Bij het WK hoef ik, denk ik, niet uit te leggen wat ik bedoel. Door allerlei lagen van status, rijkdom of armoede, afkomst, huidskleur, opleidingsniveau en hobby’s heen houdt men ervan.
Als een niet-Nederlandse jongeman op een scooter langssjeest met oranje vlaggetjes in zijn handen nadat Nederland zojuist op het nippertje won, is iedereen die hem ziet, blij.
Gewoon, blij.
Opgelucht omdat het gedoe dat op sommige andere momenten van het jaar zo in het nieuws komt, er even niet lijkt te zijn.
Omdat uiteindelijk iedereen, en ik denk echt iedereen, toch liever andere mensen als mogelijke vrienden ziet. Als ‘we’ hebben gevoetbald, en gewonnen, zijn we ineens een ‘we’. Er zijn niet zoveel (politieke) discussies voor nodig om dat te bereiken.
Gewoon een bal.

Naast voetbalwedstrijden is er iets anders de laatste weken erg aanwezig in mijn leven. Loomelastiekjes. In de keuken, in mijn handtas, in de wasmachine, in de appelsap. Om mijn arm. Om de arm van de baby. Om de armen van de andere kinderen. Om de armen van alle kinderen die hier komen spelen, die ik zie op school, op straat, in de speeltuin, in de supermarkt, in de stad.
Netjes heb ik ook zelf hele YouTube instructievideo’s afgewerkt om 3D te kunnen loomen, ja, voor de kinderen. Je kunt van alles zeggen van dat loomen (bijvoorbeeld dat de kleuren lelijk zijn, dat de bandjes rot zitten als je ze langer dan een uur draagt, omdat het materiaal zelf eigenlijk ook lelijk is), maar ze zijn wel verbindend. Loomen gaat door allerlei lagen van status, rijkdom, of armoede, afkomst, huidskleur of opleidingsniveau en hobby’s heen. In Amsterdam-Zuid en Wassenaar loomen ze net zo hard en met precies dezelfde lelijke elastiekjes als in Amsterdam-Noord of de Schildersbuurt.
Dus houd ik van die lelijke elastiekjes, dus vind ik het een sympathieke trend.

Er is alleen één probleem.
Als de trend straks voorbij is, wat gebeurt dan ermee? Verdwijnen ze dan in de prullenbak? En daarna op straat, in de lucht, in zee? Zullen miljoenen – of miljarden? – kleine roze, turquoise en glow-in-the-dark elastiekjes straks als een soort fluor-vermicelli worden toegevoegd aan de plastic soep die er al is? Zullen vogels en vissen ze straks aanzien voor merkwaardig felle wormpjes, en na enige twijfel, toch maar opeten? Zullen ze eraan sterven?

En moet ik dat aan mijn kinderen vertellen?
Of zal ik ze laten loomen?
Net zolang tot de meest ingewikkelde band gehaakt is, tot de hele arm vol zit. Net zolang tot ze het niet meer leuk vinden. En de bak wordt vergeten, de bandjes vanzelf weer kapot gaan. Ontweefd raken. In een hoek belanden.
Net zolang totdat ze vanzelf in de prullenbak of de stofzuiger verdwijnen.

Omdat ik loomen een sympathieke trend vind, en omdat ik een sucker ben voor dingen die mensen verbinden.