Waarom grote voetballers vaak klein van stuk zijn

Messi, Maradona, Romario, Sneijder, Lahm, Iniesta, Xavi, Ribéry, Pele. De lijst met namen is lang, in tegenstelling tot het gemiddelde lichaam van deze voetballers, die geen van allen boven de 1.70 meter uitkomen.

De grootste voetballers van de wereld zijn opvallend vaak klein van stuk. Uiteraard zijn er uitzonderingen, zoals Cristiano Ronaldo (1.85) en Zlatan Ibrahimoviç (1.95), maar in het algemeen rijst met name een spits niet tot grote hoogten. Wat is de verborgen kracht van een klein lichaam?

Volgens sportpsycholoog Toon Daamen maken voetbaltrainers de laatste jaren specifieker gebruik van de verschillende kwaliteiten die een voetballer heeft. “Je ziet dat de kleinere spelers vaker corners nemen, omdat de groteren in de hoogte veel beter zijn. Hier wordt de laatste jaren heel bewust gebruik van gemaakt.”

Een groot voordeel van een klein lichaam is behendigheid. Arsenal-trainer Arsène Wenger onderstreepte dit in 2012 al. Volgens hem zijn de kwaliteit van de passes en de techniek belangrijker geworden in het hedendaagse voetbal. Als reden hiervoor noemde hij de kleiner geworden ruimte op het veld en het toegenomen belang van snelle passes. Logischerwijs is een kleine voetballer in die situaties beter af.

Ook Daamen beklemtoont deze kwaliteiten. “Een kleinere voetballer heeft vaak wat meer souplesse en is wendbaarder, daarom komen die vaker in de spits te staan. Dat hoeft echter niet per se zo te zijn. Kijk maar naar Arjen Robben, die niet bepaald klein is, maar toch enorm wendbaar. Zelf stuur ik wel eens langere voetballers op atletiektraining, om hun wendbaarheid te verbeteren.”

Explosiviteit van korte spieren
Een ander voordeel van een klein lichaam zit ’m in de explosiviteit van kortere spieren. In de atletiek zijn de sprinters die klein van stuk zijn vaak in het voordeel, de langeafstandlopers zijn veelal langer en ranker gebouwd. In het voetbal is dit niet anders, kleinere spelers zijn over het algemeen explosiever.

“Wat betreft de kracht van een speler zit er zeker een kern van waarheid in de bewering dat kleinere spelers meer explosiviteit en loopvermogen hebben, maar dit ligt natuurlijk ook aan het type speler,” legt Daamen uit. Qua mentaliteit is er volgens hem geen duidelijk verschil. “Ik merk niets van het welbekende Napoleoncomplex. Iedere topsporter, groot of klein, wil zichzelf immers bewijzen.”

Het is dus geen wet van Meden en Perzen dat een lange, gemiddelde of juist kleine sterspeler het gaat maken in het voetbal. Wel wordt er door trainers steeds meer geselecteerd op de fysieke eigenschappen. En eigenlijk maakt dat van voetbal een unieke sport, waarbij een twee meter lange gigant als Per Mertesacker in hetzelfde team furore kan maken als ‘onderdeurtje’ Philipp Lahm met zijn 1.70 meter.