Ron. Ron? VLAAR!

Onmiddellijk na afloop van de wedstrijd wandelt Arjen Robben naar de tribune. Daar, op de eerste rang, zit zijn vrouw Bernadien. Heel erg Noord-Gronings blond is ze, met een doorzichtige regencape die je moeder voor je aanschaft als je naar de middelbare school gaat, het soort cape dat je nooit zult aantrekken omdat het je imago ruïneert.

In haar armen heeft Bernadien een schokkend hoopje mens. Robben junior, ook in zo’n doorzichtige cape. Hij huilt hartstochtelijk.
“Die moet naar bed,” zou mijn moeder zeggen.
Als Robben wegloopt, glimlacht hij. De timing is misschien niet ideaal, maar hij voelt zich even heel erg gelukkig.

Prima naam
Rond diezelfde tijd zit Ron Vlaar bij Jack van Gelder. Ron Vlaar is de ster van de avond, hij was beter dan Messi, Robben, Aguero en Van Persie samen. Dat klinkt armoediger dan het was. Hij heeft zelfs een penalty verprutst, zoals het een echte superster betaamt. Nu, in het troostende aura van Jack, zit hij erbij als een marinier die zojuist zijn lievelingsfregat voor zijn ogen door de golven verzwolgen heeft zien worden. Hij kan ieder moment een hap uit de tafel nemen en in tranen uitbarsten, Ron Vlaar.
Ron Beton.
Of, zoals wij hem in het café noemden: “Ron? VLAAR! Ron? VLAAR! Ron? VLAAR!”

Prima naam, Ron Vlaar. Met Ron Vlaar kun je alle kanten uit: je kunt er banketbakker mee worden (“Van wie zijn die petitfourtjes?” “Van Vlaar.” “O ja, dat dacht ik al”), hersenchirurg (“Goedemiddag, mijn naam is dokter Vlaar, ik zal morgen uw schedel lichten. Kijken of er wat onder zit, haha!”), modeontwerper (“De nieuwste collectie van Vlaar Fashion kenmerkt zich door de leeuw die op verschillende tuniekjes is gestikt”), hondenfokker (“Dan zou ik voor deze teckel gaan, mevrouwtje, ik heb ’m zelf ook”), uitkeringsfraudeur (“Is uw naam R. Vlaar?” “Ik zeg niks.” “U ontkent dat uw naam R. Vlaar is?” “Ik zeg niks”) of wielrenner (“Is Vlaar er nog bij?” “Ik zie hem niet meteen, Herbert.” “Of toch, daar achteraan. Ron Vlaar, op de Peyresourde. Wat een karakter heeft die man toch!”). Maar het is voor iedereen het beste dat Ron Vlaar voorstopper is geworden.
Of hij last had gehad van ‘z’n pootje’, vroeg Jack na afloop aan Ron Vlaar.
“Nee, totaal niet,” zei Ron. Stomme vraag, van Jack. Ron Vlaar heeft nergens last van, nooit. Hij heeft wel eens een half jaar zonder achillespezen gelopen. Had-ie niet door, al voelde hij het wel soms een beetje trekken. Bleken ze tot het bot te zijn afgescheurd. Nu speelt Ron Vlaar met elastiekjes in zijn been en dat gaat prima.
(Eigenlijk moet Ron Vlaar een prijs krijgen, als beste (tevens enige) stopperspil van het toernooi. Geen flauwe schoen, of een penning of zo, maar iets waar hij mee uit de voeten kan. Een kilo leverworst of zo).

Jack en Ron keken naar de beelden: Ron schoffelend, Ron vallend, Ron vliegend, Ron trekkend, Ron sleurend, Ron trappend, Ron lachend, Ron kalend en Ron missend.
“Ik loop nooit weg voor mijn verantwoordelijkheid,” mompelde Ron en hij keek er melancholiek bij. Nogal wiedes: Ron loopt nergens voor weg, hij loopt er bij voorkeur doorheen. Neerhalen die verantwoordelijkheid, voor hij doorbreekt. Pats!

Ron?
Nu moeten we door. Zonder Ron. Ook zonder Bruno, Leroy, Stefan, Jasper, Daley, Jordy, Gini en noem ze allemaal maar op – ze zullen langzaam maar zeker wegkwijnen in het collectieve geheugen, ze zullen vergeten raken zoals je fijne vakanties vergeet: wat resteert, is een duizendtal foto’s en een vaag gevoel van gelukzaligheid.
Alleen Ron (Ron? VLAAR! Ron? VLAAR!) vergeten we niet. Hem, en het huilende Robben-gebroed. Maar toch vooral Ron (Ron? VLAAR! Ron? VLAAR! Ron? VLAAR!).
Wie?
Ron. RON VLAAR! RRRRRRRRRON.
Voor een keer beter dan Messi.
Of, zoals Ron zou zeggen: “Meswie?”