De ultieme vernedering voor Lionel Messi

Traag beklimt hij de trappen van het Maracanã. Aan weerszijden zijn tientallen in kostuum gestoken sportschoolruggen van even zovele bodyguards, die de grijpgrage handen als muggen bij hem weg moeten slaan.

De ene tree na de andere.
Steeds langzamer klimt hij, als een moordverdachte de laatste treden richting de rechtszaal. Het kapsel is steeds een beetje degelijker geworden. Eerst waren er de lange, steile haren die in een matje eindigden in z’n kraag. Gordijntjes die hij steeds voor zijn ogen moest wegvegen als hij wilde zien waar hij zich ook alweer bevond. Jongenshaar. Nu draagt hij het als een man, als de vader die hij is: met een voorzichtige kuif naar boven, kort, maar toch gedekt. Vaderhaar.

Een bejaarde boer
Zijn bewegingen hebben iets amechtigs gekregen, deze laatste maanden. De schichten zijn steeds zeldzamer geworden en minder oogverblindend dan voorheen. De doelpunten – als ze er al waren – waren eenvoudiger, minder magisch. Hij was bleker, leek minder te lachen en kotste op onbewaakte momenten nogal eens het gras van Nou Camp onder.
Ook tijdens de WK-finale, voor het oog van iedereen die van voetbal – en dus van hem – houdt, leegt hij met de handen op de knieën zijn maag boven het veld. Een wedstrijd lang heeft hij over het veld gescharreld, als een bejaarde boer over z’n erf. Traag wandelend, iemand die nergens vandaan komt, nergens heen hoeft. Af en toe versnelde hij, de bal voor zich uit duwend, sneller, steeds sneller, tot een groot, gespierd, Duits been hem halt deed houden als een plotseling opgetrokken prikkeldraadversperring.

De wereld keek toe, de wereld die zo van hem had gehouden, hoopte nu stiekem op zijn falen, op een zege van het team in het wit, dat de bal van A naar B tikt, in plaats van steeds naar A en maar kijken wat ervan komt. Tikjes in plaats van dribbels. De perfectie, die computergestuurde eenvoud die zijn spel bezat, is verdwenen. Er is iets mis met de software, ergens tussen zijn hoofd en zijn voetzolen is een draadje losgeraakt. De mensen in het stadion; ze hebben de afgelopen jaren genoeg van hem gezien en kijken reikhalzend uit naar iets nieuws, als consumenten die gretig een nieuwe shampoo met verbeterde intensiteit in hun mandje laten glijden.

Op het ereterras staan ze naast elkaar, de mensen in pakken. Een vrouw die hij niet kent, Merkel, Blatter, een man die hij niet kent, Platini en nog een paar.
Dan roept de speaker om wat hij hier eigenlijk komt doen.
De Gouden Bal.
Een vergulde vetbol op een stokje.
Beste speler van het toernooi.
Een indringend gefluit daalt als zure regen op hem neer, 75.000 ontevreden fans die zich geen rad voor ogen laten draaien.
Hij is de beste speler niet, niet meer.
Zo snel hij kan werkt hij de hoogwaardigeidsbekledershanden af, rukt de prijs uit iemands handen en begint aan de afdaling.
Het gefluit houdt aan.

Defragmentatie
De gouden minkapstok in zijn hand behoort hem niet toe. De hele wereld weet het, en hij nog het best van iedereen. De ultieme vernedering: de beste speler aller tijden een prijs geven waar hij geen recht op heeft. Eenmaal thuis zal hij de award op zolder zetten, naast het Ganzenbord en twee oude mountainbikes. Nooit kijkt hij er nog naar om. Daarna laat hij een bevriende nerd komen om zijn hele gestel te defragmenteren.
Dan zal hij weer scoren, flitsen, onvermijdelijk de beste worden.
Het kan een half jaar duren, het kan een jaar duren, het kan twee jaar duren, maar het zal gebeuren.
En tenslotte, als niemand hem ooit nog durft uit te fluiten, gaat hij naar zolder, duwt de mountainbikes opzij en kijkt langdurig naar de Gouden Bal op dat stokje. Hij lacht en trapt de trofee dan door het open raam naar buiten.