Goden, brie en French kissing in Bretagne

Afgelopen week waren meneer K en ik in Bretagne, in Finistère, het einde van de wereld, om precies te zijn. Dat laatste is niet overdreven. De kusten bestaan er uit imposante steenformaties die in de meest bizarre gedaanten en grootten kilometerslange dramatische lijnen vormen waarachter geen normaal leven mogelijk lijkt.

Finistère is ook het land van de goden. De menhirs, de dolmens (hunebedden), de rotsen van de duivel, elke stap die wij er zetten, zetten wij op oude grond. De grond van Kelten en druïdes, orakelende schommelstenen, Asterix en Obelix en Ankou, de koning der doden, waar ik, voor een nieuw te schrijven gedicht, naar op zoek ging. Vroeger sloop hij door de Bretonse straten, op zoek naar vrouwen, mannen en kinderen. Nu hangt hij versteend boven knekelhuisjes en kapelletjes.

Fisch im wasser
Op een nacht droomde ik, of nee, zág ik voor ik in slaap viel, hoe de goden voor de kust van Bretagne aan lange stenen tafels copieus zaten te dineren alsof ze een hoofdrol in Le grande bouffe hadden. Ze vraten en zopen met gulzige vette bekken en smeten de afgekloven botten in het rond. Daarna pakten ze hun stenen tafels en wierpen ze zwierig het strand op, waar ze te pletter sloegen. Ineens wist ik, zo was de kustlijn ontstaan. Daarna droomde ik verder over Ankou, die buiten op mij wachtte, met rammelende botten. Ook de volgende dag dacht ik aan hem, toen ik zeer goddeloos met hoog opgeschorte rokken achter een grafheuvel zat te wateren alsof ik alle Bretonse zeeën had leeggezopen, zacht zingend:

“Sie will ein Fisch im Wasser sein Im flaschengrünen, tiefen See
Sie will mit Wasser sich besaufen und paar Blasen blubbern lassen
Was sie dann will, das ist mit Neptun schweigen
Und in Ruhe tun, was sie sonst nie tut was sie sonst nicht kann und soll.”
(Nina Hagen, Fisch im Wasser)

French kissing
Later, in de Supermarché, tussen de broden en de vissen, hoorde ik meneer K van achteren naderen. Ik voelde hoe zijn handen zich om mijn hals sloten, hij mij een kwartslag draaide, zijn mond zalig dwingend over de mijne heenlegde en me naar god zoende. Een meneer met een stokbrood onder zijn arm liep boos voorbij. Toen meneer K het kunstje de volgende dag weer flikte, nu in een andere supermarkt, liep er een vrouw voorbij. Zij zag lachend toe hoe mijn benen tussen de brie en crêpes in vloeibaar rubber veranderden.

Irritante taal
Op een immense roze rots in Trégastel, waar ik samen met 300 andere Fransen overheen liep bedacht ik hoe irritant ik de Franse taal vond. Eigenlijk was zij alleen mooi in een trage filmhuis-film, besloot ik, met Isabelle Huppert bijvoorbeeld. Twee pratende Fransen zijn nog wel te lijden maar en masse is het werkelijk niet te verdragen. Echt vrolijk leken de Fransen me ook al niet. Ze keken alsof ze een constante kater hadden, met hun bozige in elkaar gedrukte kleikoppen, als de rotsen van Bretagne. Wat hadden zij gedaan om zo ontevreden in dit prachtige gebied te mogen wonen? Met welke goden hadden zij getafeld? Door welke offers waren zij aan Ankou’s zeis ontsnapt?

Offers, goden en brie
Er naderde een groepje kinderen. Kinderen gillen allemaal in dezelfde taal. Over zwembaden, zand, zee en andere kinderen. Natuurlijk gingen ze naast mij zitten. Net toen ik een plekje had gevonden waar ik zat te schrijven en meneer K in zijn schetsboek kon tekenen. Eentje had een schepnet bij zich en kieperde het voor onze voeten leeg. Drie krabben krioelden zich een weg door het zand. Het jongetje pakte de snelste van de drie en smeet hem meedogenloos tegen het glinsterende graniet te pletter. Het ketste venijnig. Het jochie keek me triomfantelijk aan en verdween in de bizarre stenen wereld. Daar waar offers, goden en dode koningen heersen.

Ik stuurde mijn dochter een berichtje, moest ik nog iets voor haar meenemen uit het mooie Franse land? Kort daarna een bliepje. Vier letters. Brie. Iets anders kon ze niet bedenken.

Dichter Johanna Geels beschrijft de absurdistische en poëtische kant van de dagelijkse dingen.