Plaats nog eens een foto van jezelf

Ik ben eraan gewend geraakt dat ik elke dag kan zien hoe je er uit ziet. Niet alleen als je op je mooist bent, maar gewoon voor de spiegel. Vandaag. Of gisteren. Ik zie je het liefst als je onhandig lacht naar je eigen camera of spiegel. Als je je zit te vervelen op de wc met je telefoon in je hand. Of als je dronken bent. Deel maar.

Door selfies ben ik eraan gewend dat ik iedere dag kan zien hoe mensen er uit zien. Niet alleen mijn eigen gezin. Of de buurman – die overigens iedere dag hetzelfde vest draagt. Nee, iedereen.
Het heeft wel wat.
Ik weet niet of de toename van selfies narcisme is of exhibitionisme, of gewoon het toenemen van informatie over elkaar. Maar ik ben inmiddels dol op selfies.

Toen selfies nog in opkomst waren, vonden we het allemaal, en ik ook, nogal ongemakkelijk. Een foto van jezelf maken en ergens plaatsen, dat doen we toch niet, ha ha ha, dat is iets voor Amerikaanse tienermeisjes. Hooguit. Als je vrienden het wel deden waren zij een beetje gek.
Ik schreef er een stukje over, ‘wereldwijd worden duizenden spiegels gefotografeerd’ heette het. Over hoe ik zelf langzaam over het ongemakkelijke gevoel heen stapte. Me vermande. Ook eens een foto van mezelf plaatste. Als anderen het konden, kon ik het heus óók, een selfie plaatsen zonder enig ander doel dan mezelf laten zien, voor likes.

Selfies van vrienden bekeek ik nog met enig argwaan: ‘Oh dus jij doet ook mee aan deze ‘trend’, hm..’ Of: ‘Kun je niet wat gezelliger kijken naar jezelf in de spiegel en niet alsof je een pornomodel bent?’, dacht ik ook wel eens. (Wetende dat ik ook nooit gezellig naar mezelf kijk in de spiegel maar liever als een chagrijnig model.)
Terwijl we onszelf steeds vaker op internet zetten, schreven en lazen we in kranten dat we (te) narcistisch zijn geworden, dat onze levens alleen nog maar om onszelf draaien en dat selfies daarvan het ultieme voorbeeld zijn. Het einde van de cultuur, zo’n beetje.

Maar, wees eerlijk, je went er aan. Ik merk dat ik er anders naar kijk tegenwoordig. Ik vind het bijvoorbeeld fijn als mijn vriendinnen selfies naar me sturen. Sommige zie ik niet zo vaak. Op deze manier zie ik ze toch wat vaker. Ik vraag soms mijn beste vriendin (echt!) ‘stuur me eens een foto van jezelf’. Dan weet ik wat ze aanheeft. Hoe haar haar zit. Haar bezorgde blik. Of vrolijke. Oh, en ik bekijk ook elke dag foto’s van Beyoncé omdat ik haar volg op Instagram. Als zij alleen maar mooie uitzichten zou posten, zou ik haar niet volgen.

Ik blijk niet de enige die er zo over denkt. Vrijdag schreef Slate-columnist Simon Doonan zijn gezellige ‘Confessions of a Selfie-Addict’. Wat zeuren mensen nou over selfies, zegt hij. Ze zijn een stuk interessanter, in ieder geval, dan al die zonsondergangen, borden met eten of kinderen of huisdieren die mensen ook op Instagram of Facebook zetten. Hij zegt dat mensen die ze stom vinden, zelf vast hun televisie verstopt hebben in zo’n truttige televisiekast. Daarentegen is de selfie “a glorious art form.”
(En gek is leuk. Deze mensen snapten dat ook.)

Een foto van een regenboog of van de skyline van New York kunnen we wel op Google vinden.

Dus. Doe je mee? Plaats nog één foto. Ik zie je graag.