Arme Andrew Talansky

De hele scène neemt in totaal misschien maar een paar minuten in beslag.
Renner op een vangrail. Lycra billen op heet geworden ijzer. Huilen. Een fiets die onbemand in de berm ligt, als een leeg kauwgompakje dat lang hiervoor uit een voorbijrijdende auto is geworpen.

Een gepolode ploegleider die voor hem hurkt.
Het hikken dat volgt na een huilbui.
De niet onaangename zoutsmaak van voorbije tranen, een smaak die je aan vroeger doet denken.
Rustig, word nou toch rustig.
Meer praten.

Supporters
Om hen heen: supporters. Mensen die vanochtend van huis zijn vertrokken om de Tour te zien passeren. Weekendtassen vol baguettes met brie en jambon, thermossen vol koffie. En, wie weet: koelboxen tot de rand gevuld met koud, schuimend bier.
Ze hebben de reclamekaravaan aan zich voorbij zien trekken. Zoiets hebben ze nog nooit gezien. Een optocht, ja, dat kennen ze wel, maar dit was andere koek: de hele achterbank ligt vol met Tourparafernalia: witte Skoda-hoedjes, sleutelhangers, smeerkaasjes en nog wat dingen waarvan niemand nog precies weet waar ze toe dienen, maar die vermoedelijk nog wel van pas gaan komen.
Daarna het peloton. Een veelkleurige schicht. Geruis van bandjes, wat geschreeuw.
Ze hebben geklapt, ze hebben BRAVO geroepen en ze hebben elkaar gewezen op bekende gezichten die toen alweer voorbij waren.
Een sliert ploegleiderswagens: weer klappen, weer roepen.
Getoeter, maar niet naar hen.
Achtergebleven coureurs: weer applaus.
En dan niets. De twijfel of er nog iets komt. Alsof je in een duur restaurant zit en de koffie komt voor je je ijs hebt gehad.
Iemand zegt: ik heb nog geen voiture balai gezien.
Dus?
Dus komt er nog iemand.

Die iemand zit nu drie meter verderop, omringd door bezorgde mensen die hem kennen van de loonlijst.
Meer praten. Uitleggen, tegenspreken, zwijgen. Weer praten, zachter nu,
Wat voel je?
Waar heb je pijn?
Hij denkt aan de ploeg, die rond hem is gebouwd. Nu hij hier zit, stort dat bouwwerk in, als een kaartenhuisje van twee verdiepingen waar tegenaan geblazen wordt.
Aan zijn ouders.
Aan zijn woorden.
Aan zijn dromen.
In geen van die dromen zat hij halverwege in de berm te huilen.
Hij weet dat er mensen om hem heen drommen, toeschouwers die plots ramptoerist geworden zijn. Hij kijkt niet naar ze, maar voelt hun aanwezigheid. Een bedremmeld soort ongemak.

Twintig blikjes bier
Dan neemt hij een beslissing, nog voor hij er zelf erg in heeft, hakt hij de onontwarbare knoop van pijn, verwachtingen, andere mensen, vernedering en vermoeidheid door.
Hij staat op, grijpt zijn fiets en strompelt de weg op.
Iemand – God weet wie – duwt hem op gang.
Mensen klappen. Ze juichen voor zijn onverstandigheid, klappen voor een als overwinning vermomde nederlaag.
Dan is hij weer alleen met zijn pijn en een onontwarbare kluwen gedachten.
Achter hem klikt iets wat vaag lijkt op het sissen van twintig blikjes bier die worden opengedrukt en het geluid van twintig Fransen die naar een sleutelhanger loeren en zich hardop afvragen wat dat toch kan zijn.