Nibali: het plezier en de achterdocht. Een twistgesprek met mezelf

‘Gezien?’

‘Wat?’

‘Nibali natuurlijk!’

‘Ja. Ongelofelijk…’

‘Mooi, he. Wat een sportman, wat een kracht, wat een stijl. Zag je hoe ie over de finish kwam? Ademde nauwelijks, joh. God, wat een supertalent.’

‘Ik weet het niet.’

‘Jij weet het niet.’

‘Dat zeg ik.’

‘Wat weet je niet?’

‘Met Nibali.’

‘Dit meen je toch niet…’

‘1. Hij rijdt bij Astana, de ploeg van Vinokourov, die laatst nog een onderscheiding kreeg voor zijn verdiensten voor de medische industrie, 2. Hij wordt ondersteund door Scarponi, iemand die zo vaak naast de pot heeft gepiest dat hij inmiddels tot zijn knieën in zijn eigen urine staat, 3. Hij is veel te sterk voor de tegenstand en dat op ieder terrein: korte bergjes, middellange bergen, echte cols en zelfs op de kasseien… Moet ik doorgaan?’

‘Heb je ooit gehoord van het begrip “Onschuldpresumptie”?’

‘OnschuldWAT?’

‘Dat je onschuldig bent tot het tegendeel bewezen is.’

‘O ja.’

‘Nou?’

‘Wat? Ja, nou ja, we zijn al zo vaak voorgelogen.’

‘We?’

‘Wij. Wij wielerfans.’

‘Ik ben nooit voorgelogen, hoor.’

‘Niet door Armstrong, niet door Ullrich, Indurain, Pantani, Boogerd en God weet wie allemaal nog meer?’

‘Neuh. Ze spraken de waarheid niet, maar ik heb het nooit als leugens ervaren. Ze hadden het niet tegen mij, ze hadden het tegen de organisatoren van de wedstrijden die ze wonnen of, in Boogerds geval, bijna wonnen. Wie het wielrennen nauwgezet volgt, moet begrijpen dat er dingen gebeuren die door het reglement worden verboden, maar die daarom niet onmiddellijk afkeurenswaardig zijn.’

‘Ik begrijp jou niet. Wil je geen eerlijke sport zien?’

‘Nee.’

‘WAT zeg je?’

‘Het hele idee van sport is dat het oneerlijk is. De een heeft minder talent, een ander meer zin om te trainen, of een grotere natuurlijke longinhoud, of beter materiaal of fanatiekere ouders, of meer koersinzicht. De spanning in de koers bestaat bij de gratie van mensen die elkaar bestrijden met ongelijke middelen.’

‘Die middelen zijn deze Tour anders wel heel ongelijk.’

‘Kun jij genieten van een prachtige prestatie zonder aan allerlei vuige vormen van bedrog te denken?’

‘Kun jij genieten van overduidelijk verdachte prestaties zonder reëel na te gaan over hoe die prestatie vermoedelijk tot stand komt?’

‘Jij eerst.’

‘Geen behoefte aan.’

‘Ik ook niet.’

‘Gek toch, we zijn een en dezelfde persoon.’

‘Ja, het heeft iets schizofreens.’

‘Wat je zegt.’

‘Maar even: het is toch een geweldige renner, Nibali? Een aanvaller, altijd spektakel, vriendelijke, bescheiden jongen. Heel anders dan Armstrong en zo. Bovendien: dit is het nieuwe wielrennen. Vraag het Maarten Ducrot maar, of om het even welke andere commentator: Nibali’s prestaties zijn menselijk.

‘Ik ontken niet dat het een mooie renner is, maar ik wil niet de mooiste of de aardigste zien winnen, maar de beste.’

‘Ik wist niet dat jij zo streng in de leer was.’

‘Ik wist niet dat jij zo’n naïeve romanticus was.’

‘Ik herhaal: de prestaties en wattages zijn menselijk, die jongen is gewoon vreselijk goed voorbereid. Nieuwe trainingsmethoden, focus, goeie voeding; van die dingen.’

‘Geprepareerd, zul je bedoelen.’

‘Ach, wat kan mij dat schelen, als ik maar koers te zien krijg.’

‘Koers? Een toneelstuk!’

‘Liever een fraai stukje fictie dan de oersaaie vergelijking van lichaamsfuncties.’

‘Jij laat je dus bedriegen en je vindt het niet erg?’

‘Neuh, eigenlijk niet. Nibali is als de schrijver van een prachtige en ontroerende memoire over zijn ervaringen in het concentratiekamp, een boek waar ik vreselijk van geniet. Geniet je er met terugwerkende kracht minder van als later blijkt dat de schrijver in werkelijkheid in 1953 geboren is en nooit ook maar in de buurt van een kampbeul is geweest? Nee.’

‘Het blijft misleiding: iets wordt je verkocht als het een, terwijl het ’t ander is. Dan stelt dat boek toch meteen niets meer voor.’

‘Je had er toch van genoten. Wat wil je nog meer?’

‘Word jij dan nooit cynisch?’

‘Wielrennen is bedacht om er plezier aan te beleven, niet om cynisch van te worden.’

‘Ik vind m’n eigen cynisme anders soms erg plezierig.’

‘Dan is het goed. Als je maar niet echt boos wordt.’

‘Beloofd.’

‘Fijn.’

‘Gaan we dan nu een koud biertje drinken?’

‘Eentje maar?’

‘We zijn toch maar met z’n enen?’

‘Da’s waar.’