Waarom ik een ongemakkelijk gevoel krijg van de persoonlijke herinneringen aan MH17-slachtoffers

De ramp met de MH17 grijpt iedereen aan. “Bijna iedereen kent wel iemand,” kopte NRC Handelsblad twee dagen na het neerstorten.

Natuurlijk is dat niet zo, maar het voelt wel zo. Voor mij althans. Ik ken niemand die is omgekomen, maar de berichten uit verschillende vriendengroepen en kennissenkringen waarmee mijn Facebook-timeline volstroomde maakten dat het dichtbij kwam – en daarin ben ik ongetwijfeld niet de enige.

Voyeurisme
De (overigens nooit bewezen) stelling dat je via zes handdrukken iedereen op de wereld kunt bereiken, wordt door de penetratie van sociale media in steeds grotere delen van de wereld steeds plausibeler. Van vrienden die het predicaat ‘vriend’ eigenlijk niet verdienen had je pak ’m beet tien jaar geleden nooit geweten dat ze een van de slachtoffers kenden. Via twee of drie digitale handdrukken ben ik geneigd dan ook te stellen dat ‘bijna iedereen’ wel een bepaalde verbondenheid met de ramp heeft. Dat was met de ramp op Tenerife in 1977 (met 238 Nederlandse slachtoffers nog altijd de grootste vliegramp voor ons land) ongetwijfeld anders.

Daarmee is de MH17-ramp ook een Facebook-ramp. Zuckerbergs creatie is voor mij vooral een vorm van gelegitimeerd voyeurisme. Zelf post ik nauwelijks iets, maar ik mag graag meegluren naar foto’s en zieleroerselen van (vage) bekenden en oud-klasgenoten (uiteraard onder het mom van: ik blijf graag op de hoogte van hoe het met je gaat). Want van het wel en wee van je échte vrienden blijf je ook zonder Facebook wel op de hoogte.

Nu krijg ik het verdriet van de ‘vrienden’ mee. Al voelt het soms als ongepast voyeurisme, het is natuurlijk prima dat je in de betrekkelijke anonimiteit van een online vriendengroep gedachten en emoties deelt. Het is 2014, we gaan niet ineens met ganzenveren elkaar van traanvocht doordrenkte brieven schrijven. Ongemakkelijk word ik wel van de manier waarop slachtoffers intussen in groten getale hun ‘moment of fame’ hebben buiten de (betrekkelijke) anonimiteit van de vriendenkring.

Ongemakkelijk
Wat begon met neutrale berichtgeving over een omgekomen vooraanstaande aidsonderzoeker en een Eerste Kamerlid is namelijk omgeslagen in het massaal delen van privéverhalen. Hoe intiemer hoe beter, zo lijkt het. Zo kwam ik (via sociale media) op nieuwssites berichten tegen over een slachtoffer dat in haar slaap giechelde, een brief van een negentienjarige scholier aan haar omgekomen docent, en werd een medicijnenstudent geportretteerd die heel close was met zijn eveneens omgekomen familie en die zijn vriendin altijd wist op te beuren. Uiteraard voorzien van privé-Facebookfoto’s. En zo kunnen we wel even doorgaan.

Natuurlijk zijn grenzen tussen publiek en privé aan verandering onderhevig – zoals mijn Facebook-voorbeeld laat zien – maar is een verlies als dit niet vooral een privé-aangelegenheid? En wat is de volgende stap? Dat ‘ervaren verslaggevers’ op de rampplek in koffers gaan neuzen en op nationale televisie gaan voorlezen uit een dagboek? Ja, daar zijn we blijkbaar al aanbeland.

Nogmaals, het geeft mij een ongemakkelijk gevoel. Natuurlijk heb ik de keuze om de stukken wel of niet te lezen, maar via de sociale media is het simpelweg onmogelijk om de confrontatie uit de weg te gaan – je wordt met dergelijke berichten overstelpt. Uit de populaire artikelen lijstjes op nieuwssites blijkt bovendien dat veel Nederlanders de stukken lezen. De grote vraag is: waarom? Is dit ‘de ramp een gezicht geven’ en een vorm van collectieve rouwverwerking? Of is het een aantasting van de privacy van de slachtoffers en de nabestaanden, en een vorm van het ongebreidelde voyeurisme waar roddelbladen ook zo wel bij varen?