Een gedicht in de Tour

Bert Wagendorp zei ooit: ‘In de Tour bestudeerden wij alleen de sportpagina’s. De rest van de krant gooiden we weg. En zij die de krant wel helemaal lazen, daar was iets mee. Die hadden er vaak geen zin meer in.’

De Tour de France is een kunstmatige wereld, een zeepbel van versnellingen, geruchten, massageolie en rondemissen. De Tour is een kermis met enkele duizenden kermisklanten die door Frankrijk razen, ergens met veel misbaar neerstrijken en de volgende ochtend weer vertrekken, oplossen in een wolk van stof en dieselgassen. Het is een micromaatschappij, de Tour biedt je de mogelijkheid om je aan de echte wereld te onttrekken, een ontsnappingskans, het is een wereld met eigen drama’s, met eigen geluk, ambitie, bedrog, met eigen omgangsvormen, met hoop en met desillusie.

Het is ook een overzichtelijke wereld, de Tour, met z’n dagelijks wisselende decors en dagen die zo lang duren als het etappeschema voorschrijft. Voor wie zich afvraagt waarom de Tour de France zo ontzettend populair is: het is een toevluchtsoord voor wie door het jaar heen al genoeg van de echte wereld heeft gezien. Een vakantiewereld, een heerlijk surrogaatleven, waar lijden duurt tot het eind van een berg en waar opgeven betekent dat je in een geaircoode auto naar het hotel wordt gebracht.
Een net-echte wereld met alles erop en eraan, behalve dood.

De Tour, ik schreef het al eerder, is de ultieme viering van het leven. Heel af en toe, als het lot een verkeerde afslag neemt en op het parkoers verzeild raakt, duikt de dood op in de karavaan, als een hardhandige herinnering aan de kunstmatigheid van de Tourwereld.

En de vogels zullen blijven zingen
Gisteren stond in de echte wereld alles stil, terwijl in de artificiële vakantiewereld alles voortbewoog. Ik keek naar de zwijgende beelden van klauterende coureurs en begreep later pas dat het georkestreerde landelijke zwijgen in stilte aan me voorbij was gegaan.

De dood had zich een weg gebaand naar het hart van de Tour en was daar blijven hangen. In het dagelijkse avondjournaal van de vakantiewereld, de Avondetappe, zat schrijver Edwin Winkels. Hij nam het woord en gaf het daarna door aan een lang overleden Spaanse dichter. Traag en trefzeker droeg hij een gedicht voor, ‘De allerlaatste reis’, in eigen vertaling.

‘En ik zal gaan. En de vogels zullen blijven zingen,’ las Winkels, terwijl hij in honderdduizenden huiskamers binnenkeek.

De dood wordt in het gedicht niet ontkend, maar, zij het met tegenzin, welkom geheten. Voor begrip van het onbegrijpelijke, voor een warm welkom voor de dood op een feest van leven was poëzie noodzakelijk geweest.
Daarna kon het leven zijn weg vervolgen, en werden de gesprekken over ploegentactiek en kopmanschap al snel hervat.
Gelukkig.