De tranen van Tom-Jelte Slagter (uit Slochteren!)

Gisteren, onmiddellijk na de finish van een rit die over een halfjaar alleen nog ten huize van Raimundas Navardauskas zal worden herinnerd, begon Tom-Jelte Slagter opeens te huilen. Hangend over zijn stuur, het Hielke en Sietse-gezicht op half zeven, snikte hij het uit als iemand die naar een halve eeuw in een buitenwijk van Kaiserslautern oerwoud een dood gewaande zus ontmoet.

Tom-Jelte Slagter is een vreemde wielrenner. Gisteren, aan de tafel van NOS-kasteelheer Smeets, zei Eric Corton: ‘Het is niet echt mijn renner. Al hoopte ik wel dat hij het tot het eind zou volhouden.’
Had ik ook, en ik begreep niet waarom. Leuke kerel, vrolijke jongen, goeie, attractieve renner, een winnaar ook nog, vol beloftes voor van een schitterende toekomst en toch: geen gevoel bij.

Bus 96
Waarom is dat zo? Waarom hoeft de ene renner zijn kont maar van het zadel te lichten om mij in extase te brengen en kan de ander aanvallen en winnen tot hij een ons weegt en me even koud laten als een Heel Koude Dag in februari? Tom-Jelte Slagter heeft alles om een persoonlijke favoriet te worden van iedere koersliefhebber die z’n persoonlijke favorieten met zorg kiest, maar de harde werkelijkheid is dat ik bij het horen van de plaatsnaam Slochteren eerst denk aan de Groningse gasbel, dan aan de kenmerkende lintbebouwing die een direct gevolg is van de IJstijd (hoe dat precies zit, moet u zelf maar even opzoeken), bekende Slochterse buurten als Klein Harkstede en De Zanden, aan de Juffertoren met z’n kenmerkende spits, aan het Schildmeer, aan Bus 96 (van Appingedam via Farmsum, Meedhuizen en Tjuchem naar Lakswerd) en aan de op handen zijnde gemeentelijke herindeling.

Daarna denk ik nog een tijdje aan wat er allemaal rijmt op ‘Slochteren’ – ja, ‘dochteren’ dus, maar probeer dat maar eens in een Sinterklaasgedicht te verwerken – en tenslotte denk ik dan aan Slochterens beroemdste inwoner, Tom-Jelte Slagter.
(Je zou ‘m Tiedzjee kunnen noemen, op z’n Engels, maar iemand uit Slochteren Tiedzjee noemen is net zoiets als iemand uit Tjuchem aanspreken als Big Mac from the Titty Center – zoiets doe je niet).

Zoute tranen
Gisteren trok Tom-Jelte weer eens ten aanval, niet voor het eerst deze Tour. Tot nog toe waren zijn pogingen langs me afgegleden als water van een eend. Nu niet: ik keek naar hem terwijl hij door de regen ploeterde, ik keek naar hem hoe hij allenig door Frankrijk de kilometers onder zich vandaan maalde, richting een zege die volstrekt onmogelijk leek.
Hij kwam er, die zege, maar niet voor Tom-Jelte Slagter uit Slochteren (wat een alliteratie, dat valt me ook nu pas op!).
De overwinning ging naar zijn Litouwse ploeggenoot.
Vond Tom-Jelte niet erg: hij weende zoute tranen van geluk.
Hij straalde als een kerncentrale op het podium, toen hij de troostprijs van de dag (strijdlustigste renner) in ontvangst nam.
En hij genoot van de Avondetappe-camera, die die avond op hem, Tom-Jelte Slagter uit Slochteren, stond gericht.
Hij genoot, en ik genoot met hem mee.
Tom-Jelte liet me niet langer koud. Sterker nog: ik werd warm van ‘m.

Vanochtend nam ik de proef op de som: ik dacht aan Slochteren en verdomd: daar was de naam Tom-Jelte Slagter al.