Tourwee

Buiten is het nog zomer, maar binnen is de herfst al voorzichtig ingevallen.
De zon brandt minder hevig, het wordt vroeger donker, de eerste bladeren worden dor en bruin en vallen naar beneden om plaats te maken voor hun opvolgers.
’s Ochtends loop ik door het huis als een gekooid beest.

De wereld is teruggebracht tot een opeenvolging van te behappen handelingen en eenvoudig te voltooien klusjes. In de keuken bestudeer ik de voorraden, controleer de houdbaarheidsdata, ik maak eens een pak open, eet wat, kruimel wat, ga op zoek naar de kruimeldief, kom erachter dat we nooit een kruimeldief hebben gehad, overweeg een tijdje de aankoop van een kruimeldief, weeg zorgvuldig de voor- en nadelen van zo’n aankoop af, start mijn laptop op, surf naar www.google.nl, vul “kruimeldief” in, klik op de bovenste vijf zoekresultaten om mezelf een beeld te geven van wat er zoal speelt op de markt van de kleine huishoudelijke apparaten in het algemeen en de kruimeldieven in het bijzonder, ik noteer enkele merken, een paar cijfercodes die ik straks in de winkel niet meer ontcijferen kan maar die typenummers zijn van potentiele kruimeldieven voor Huize Heinen, ik overweeg een sms te sturen aan mijn vriendin (die wel gewoon werk heeft) om haar mening te horen over mijn toekomstige besteding van de laatste restjes uit onze huisdhoudpot aan een supersonische kruimeldief, stel een conceptbericht op, wacht dan met versturen omdat ik haar al zo vaak berichtjes stuur en omdat ik ook best zelf eens iets mag beslissen, sla het conceptje toch maar even op, ga even midden in de kamer staan, denk “jas of geen jas?”, denk daarna “geen jas”, loop terug naar de laptop, typ “buienradar” in het zoekscherm, bestudeer de radarbeelden, heroverweeg mijn kansen om droog te blijven, besluit dat m’n leven wel eens een risicootje kan gebruiken, zeg “geen jas”, trek mijn schoenen aan, strik mijn veters, zie dat er ook in de woonkamer overal kruimels liggen, wat nog eens bevestigt dat ik goed bezig ben, pak mijn rugzak, controleer of ik mijn telefoon, mijn portemonnee en mijn huissleutels op zak heb, kom tot de conclusie dat mijn huissleutels in mijn jaszak zitten en mijn portemonnee zich elders bevindt, begrijp onmiddellijk dat ik zonder portemonnee onmogelijk een kruimeldief kan kopen, en – voeg ik daar, misschien ten overvloede, aan toe – ook geen andere spullen, begin in mijn hoofd aan een opsomming van zaken die ik nu niet kan gaan kopen en die ik anders misschien wel gekocht had, bedenk steeds nieuwe en steeds uitzinniger mogelijke aankopen terwijl ik op zoek ga naar mijn portemonnee, op de tafel, in de vensterbank, in de wasmachine, op het aanrecht, vind hem zoals je dat altijd zult zien op de laatste plek waar ik kijk, twijfel tussen mijn jaszak, mijn broekzak en mijn rugzak als de beste plaats om mijn portemonnee te bewaren op weg naar de kruimeldievengigant, laat de jaszak al snel afvallen omdat ik immers heb besloten dat het te warm is voor een jas en dat het ook niet dreigend genoeg is en dat als het wel gaat regenen, ik daar ook niet aan dood zal gaan, merk hoe mijn fantasie op hol slaat als ik bedenk hoe een bui mij wel zou kunnen doden, zie levendig voor me hoe een bliksemschicht inslaat in de ijzeren ritsen van mijn rugzak of hoe ik door een plotselinge windvlaag in de gracht geblazen zal worden, wat niet meteen tot mijn verscheiden zou hoeven te leiden, want ik heb alle noodzakelijke diploma’s, herinner mij plots mijn oude zwemlerares, zie voor mijn geestesoog een vierkante vrouw in een grijs badpak  verrijzen, probeer mij haar naam te herinneren, prevel allerlei vrouwennamen die bij de vierkante verschijning in het grijzige badpak zouden kunnen passen, merk dan dat ik zonder jas en zonder tas midden in de kamer zomaar wat vrouwennamen sta te fluisteren, spreek mezelf streng toe, loop naar de deur, doe de deur open, aarzel, kijk nog even achter me of ik niets vergeten ben, voel dat – hoe langer ik in de deuropening met die deurklink in mijn handen sta – het unheimische gevoel dat ik iets cruciaals vergeet in mij terrein begint te winnen, ga alle voorgaande stappen na om te controleren dat ik niets wezenlijks gemist heb, denk “het slaapkamerraam”, loop naar de slaapkamer, stel vast dat het slaapkamerraam prima afgesloten is, check – als ik er dan toch ben – ook even de slaapkamerdeuren (dicht), het gas (uit) en de broodzak (dicht genoeg), blijf iets te lang met de broodzak in mijn handen staan, kan mezelf niet aan de indruk onttrekken dat ik iets voel, in mijn lichaam, bedoel ik, iets wat het erop uit gaan om een kruimeldief aan te schaffen ernstig zou kunnen bemoeilijken, ga bij mezelf na wat het is dat ik in mijn lichaam voel, constateer dat het in elk geval geen hoofdpijn is en ook geen duizeligheid en geen pijn aan het wondje onder m’n teen en al helemaal geen aanzet tot een gevoel van op korte termijn onafwendbare stoelgang, ga verder met het afstrepen van de meest voor de hand liggende gevoelens, kom op een goed moment bij het gevoel dat in sommige gezinnen ‘honger’ en in andere gezinnen weer ‘trek’ wordt genoemd, vraag me even kort (heel kort) af waarom sommige mensen zo krampachtig vasthouden aan het verschil tussen beide woorden, moet voor de zoveelste keer in mijn relatief korte leven vaststellen dat iedereen anders denkt over alles, schud een paar keer met m’n hoofd zoals oude mannetjes doen als hen ter ore komt dat een gebouw dat ooit diende als decor van hun jeugd tegen de vlakte gaat, luister naar het gerommel in mijn buik dat qua intonatie het midden houdt tussen honger en trek, maar dat zich – indien niet bijtijds de kop ingedrukt – eerder tot een hongergerommel dan tot een trekgerommel dreigt te zullen ontwikkelen, geef mezelf een complimentje voor de mate waarin ik in contact sta met mijn lichaam en de behoeften van dat lichaam, zoals de chauffeur die zichzelf even vriendelijk toespreekt wanneer hij net op tijd het wijzertje van de benzinemeter in het rood heeft zien schieten en dus een lege tank op de snelweg heeft voorkomen, denk even kort na over wat er gebeurd zou zijn als ik zonder benzine was komen te staan terwijl ik met een onhandig grote, kartonnen doos (waarin mijn zelf uitgekozen en gefinancierde) kruimeldief in de traagst vorderende rij van de kruimeldiefgigant zou hebben gestaan, merk tot m’n verbazing dat ik plots over mezelf denk als een auto die op het nippertje aan de pechstrook is ontkomen, krab aan het korstje dat sinds vannacht op het wondje op mijn knie zat, voel dat er bloed aan mijn handen zit, ruik iets wat verdraaid veel op bloed lijkt, tel razendsnel 1 en 1 bij elkaar op (figuurlijk dan), ga op zoek naar een keukenrol om zo weinig mogelijk bloedvlekken te maken, vloek, vergeet mijn hongergevoel, scheur een stukje keukenrol van de keukenrol, druk het papier op het wondje, hink een beetje onhandig naar de bank, neem plaats, kijk naar het plafond, zie  vlekken die ik niet eerder heb gezien, vloek nog eens, veeg met mijn vrije hand wat kruimels (van eerder datum, en niet noodzakelijk van mij) van de bank, stel vast dat het kopen van een kruimeldief in principe helemaal zo’n gek plan niet is, lach in mezelf even kort om het woord kruimeldief, probeer te begrijpen waarom het me zo vreselijk aan het woord krentenbaard doet denken, lach nog eens om het woord krentenbaard (en niet om het verschijnsel), stel vast dat er steeds meer fijne woorden me te binnen schieten, ga achterover zitten, moet tot mijn spijt vaststellen dat er nog geen woord gevonden is voor de staat waar ik momenteel in verkeer, geeuw, kijk op de klok om te kijken hoe lang het nog duurt voor de uitzending van de etappe begint, verkeer heel even in de blijde veronderstelling dat er gewoon nog een etappe is, keer terug naar de realiteit, vloek een laatste keer en besluit uiteindelijk in godsnaam dan maar een woord te verzinnen voor het gevoel dat me nu overspoelt als die regenbui van een ruime duizend woorden geleden.

Tourwee.