Koosjere taart uit 020

Gisteren dook het jongetje met de middelvinger plots weer op.
(Ik hoef voor u vermoedelijk verder niets toe te lichten, maar ik doe het toch: tien jaar geleden dook er overal ter wereld plots een soort miniatuur-Feyenoordhooligan op, een Rotterdammertje van twee turven hoog die zijn onvrede uitte door zijn middelvinger in de lucht te rammen. Meer nog dan de vinger was de wereld gechoqueerd door de ogen van het jochie: daarin stond onversneden haat te lezen).

En gisteren was hij er plots weer, dat jongetje. Inmiddels in de adolescentenleeftijd verzeild geraakt, want ook gebrainwashte kleuters worden groot. Dit keer stond ook zijn vader op de plaat: samen hadden zij om onduidelijke redenen hun armen volgekalkt met het clubmotto van Liverpool, dat het blijkbaar ook goed doet bij Feyenoord – het zal wel iets met Lee Towers te maken hebben.
“You’’ll never walk alone,” stond er.

Koosjer
Kort na die foto dook er ook nog een oude uitzending van het onvolprezen Puberruil op, die in de archieven van Uitzending Gemist geduldig stof had liggen verzamelen, tot het jongetje met de middelvinger weer eens tevoorschijn zou komen.
Nu was het zover.
In de bewuste aflevering ruilde Shirley uit Putte met Jade uit Amstelveen.
Shirley was Feyenoorder, Jade joods. Ik bedoel echt joods, een heus joods meisje, inclusief Hebreeuws lezen en koosjere taart. Geen simpelaar met een Ajax-sjaal.
Bij de introductie van de ruilgezinnen kwam de vader van Shirley in beeld.
Hij heette Wilson en hij had het over 020 als hij Amsterdam bedoelde, want in zijn huis werd niet gescholden. Feyenoord zat in z’n bloed, en iedereen was welkom.
“Behalve als-ie uit 020 komt natuurlijk.”
Jade kwam dan wel niet uit 020, maar veel scheelde het niet.
Om het ijs te breken had ze een koosjere taart meegenomen.
Daar moest Wilson even van slikken.
Hij vreesde dat hij er ziek van zou worden. Dat viel mee: “Verdomme. Nog lekker ook,” mompelde hij, terwijl hij stuk na stuk naar binnen schoof.

Zijn dochter had het moeilijker.
Shirley had als dank voor de gastvrijheid vier Feyenoord-mokken meegenomen. Dat werd gewaardeerd, maar naar Amsterdam ging ze mooi niet mee.
“Ik vind Amsterdam een kutstad, zo ben ik gewoon opgegroeid.”
Op het volgende shot wandelde ze over de Albert Cuyp. Ze keek erbij alsof iemand voor haar neus jonge katjes aan het doodknuppelen was.
Later tenniste ze met een hand in haar zak en liep ze achteruit een winkel in om de Arena maar niet te hoeven zien.
Waarom dat was, vroeg Jades moeder.
“Ja, ik weet niet,” zei Shirley, waarmee ze haar probleem in vier woorden uiteenzette.

Een tempel in inkt
In Putte legde haar vader ondertussen aan de ruilpuber uit wat nu precies het probleem was tussen Ajax- en Feyenoordsupporters.
“Als hunnie een Israëlische vlag ophangen en ons uitschelden voor kanker-Rotterdammers en wij noemen hen teringjoden, dan krijgen wij een stadionverbod omdat het anti-simistische leuzen zijn. Terwijl kanker veel erger is dan tering of tyfus of zo.”
Zo zaten ze daar, in een woonkamer die was volgestort met Feyenoord-parafernalia. De muren werden genomineerd door een foto van de oudste zoon, die met de haat voor teringjoden of welke concurrerende supportersgroep dan ook in zijn kleuterogen zijn middelvingertje opstak.
Wilson had ook een uitje bedacht: naar een wedstrijd van Feyenoord.
Eerst werd oma opgehaald op de camping: voor het raam van de stacaravan stonden Laurel & Hardy in Feyenoord-shirts, binnen zat een oude dame die nog eens benadrukte dat Feyenoord een geloof was, iets wat in je bloed zat.
“Onze tempel is de Kuip.”
Vervolgens ontblootte Wilson zijn rug. Daar stond de tempel, in inkt.
“O,” zei Jade.
Om zich nog diezelfde avond te laten inpalmen door de schattige Feyenoord-fans die op haar sprongen als er gescoord werd. “Het was net of de hemel en de aarde zich vermengden,” mompelde Jade poëtisch.
Ze vermoedde dat ze in de familie van Shirley een nieuwe familie had gevonden. En Wilson was zelfs bereid om haar te komen ophalen in 020 om nog eens mee te gaan naar de tempel.

Een hele prestatie
Tot slot werd er geïnformeerd wat Shirley had geleerd van de week bij de joden.
Ze was iets minder scheutig geworden met het woord ‘jood’, dat wel.
Maar joden van Ajax bleven gewoon joden.
Eenmaal thuis in Putte huilde ze heel hard en gilde: “Ik ga daar nooit meer heen!”
Wilson grijnsde: het tweede kind al dat de landelijke media haalde als een hartstochtelijk Feyenoord-gelovige.
Een hele prestatie.