Verontrustend: ook tegenstanders van de Islamitische Staat radicaliseren

De soennitische terreurgroep IS is verantwoordelijk voor gruwelijke slachtingen, dat is bekend. Maar ook de sjiitische milities die tegen ze strijden, radicaliseren. En dat betekent weinig goeds voor de situatie in het Midden-Oosten.

Executies van gevangen tegenstanders, de afslachting van andersdenkenden en recent de onthoofding van journalist James Foley. De Islamitische Staat laat maar wat graag aan de buitenwereld zien welk lot hen die IS kwaad gezind zijn – of gewoonweg niet zien zitten – beschoren is.

Volgens Anand Gopal, gepokt en gemazeld als oorlogscorrespondent, verspreidt de terreurorganisatie zijn wandaden via Twitter en andere kanalen om daarmee de bestaande internationale orde te verwerpen. “Goedkeuring van andere landen of organisatie laat ons volledig koud,” lijkt IS te willen zeggen.

Andere partijen die strijden in het Midden-Oosten, zoals het leger van de Syrische president Assad, is er meer aan gelegen om een enigszins beschaafd imago naar de buitenwereld op te houden – weet u nog hoe Assad onder internationale druk besloot mee te werken met het vernietigen van de chemische wapens die hij naar verluidt inzette? Het feit dat IS zich graag op de borst klopt over het begaan van gruwelijke misdrijven betekent niet dat hun tegenstanders (onze bondgenoten?) geen vergelijkbare wandaden begaan. In tegendeel.

De sjiitische milities, de eenheden die de strijd voortzetten toen het Iraakse leger halsoverkop vluchtte voor de oprukkende troepen van IS, zijn daar ook een voorbeeld van. Zelf beweren ze alleen soldaten van IS geweld aan te doen en onschuldigen ongemoeid te laten, maar de realiteit lijkt dat tegen te spreken. Volgens soennitische bewoners van de door de sjiitische milities bezette gebieden worden onschuldige mensen uit hun gemeenschap stelselmatig ontvoerd en vermoord als vergelding voor verliezen die de strijdgroepen tijdens gevechten tegen IS heeft geleden. Afgelopen donderdag nog werden 70 man vermoord bij een soennitische moskee in Irak, en daarvoor worden sjiitische milities verantwoordelijk gehouden.

Door dergelijke misdaden worden gematigde burgers in de armen van radicale groepen gedwongen. Het is moeilijk om iemand enige sympathie voor IS kwalijk te nemen wanneer dat in zijn ogen de groep is die hem zal beschermen tegen geweld van sjiitische zijde. Andersom geldt hetzelfde, sjiieten vrezen voor hun leven onder heerschappij van IS en dragen de groeperingen die hen beschermen een warm hart toe.

Daarmee lijkt het conflict in Irak en Syrië in een radicaliserende, neerwaartse spiraal van geweld te zijn beland waar het voorlopig niet uit zal komen. Het beschrijven van IS als het kwaad en zijn tegenstanders als goed lijkt wat dat betreft een te simplistische benadering.